Tegen half zes ’s middags wordt er bij de voordeur gebeld. Dat belgerinkel hadden we feitelijk al eerder verwacht, want vandaag is het Sint Maarten. En we hebben speciaal het hek opengezet en verlichting naar de voordeur aangebracht om onze bijdrage aan dit sympathieke volksfeest te kunnen leveren. Aan Halloween of andere geïmporteerde nonsens doen we niet mee, maar Sint Maarten is, zeker hier in het noorden, een gekoesterde traditie. Maar helaas is het tot op dit moment akelig stil bij de voordeur gebleven.
Als ik de deur open, ontdek ik een klein meisje. Op het eerste gezicht alleen. Maar een spiedende blik leert me dat een volwassen man, waarschijnlijk haar vader, op enige afstand haar – terecht – goed in de gaten houdt. Ter groet steek ik m’n hand op en de man zwaait aarzelend terug.

Het meisje is ondertussen begonnen aan haar overbekende liedje aangaande koeien met staarten en meisjes met rokjes. Dat duurt zoals gewoonlijk niet lang; reden waarom specifiek dit lied populair is onder de lampionlopers. Ik kan de moed van dit meisje wel waarderen en trakteer dan ook royaal op snoepgoed.
“Dat heb je heel mooi gezongen”, prijs ik de zangprestaties. “Wil je later soms zangeres worden?”.
“Nee. Ik wil dokter worden. Chirurg”. Klinkt het vastberaden. “Maar mijn ouders denken dat dat te moeilijk voor me is en dat ik beter verpleegster kan worden”.
Ik sta perplex. Een echo van een eeuw geleden klinkt hier nota bene aan mijn voordeur. Een echo uit tijden dat meisjes en vrouwen nauwelijks serieus werden genomen en hun opleiding werd beschouwd als weggegooid geld en verspilde moeite. Tijden, waarvan we meenden dat we die reeds lang achter ons hadden gelaten. Hoezo is zo’n artsenopleiding te moeilijk voor een meisje? Waar zijn de gelijke kansen gebleven?
“Ik denk dat je dat best zou kunnen”, spreek ik met enige stemverheffing, zodat ook de vader mijn betoog kan horen. “Waarom zou een meisje als jij geen chirurg kunnen worden? Als dat is wat je graag wilt, moet je die opleiding gaan volgen. Nooit vooraf de tweede keus. Als het dan niet lukt, kun je altijd wat anders gaan doen. Maar eerst je droom achterna”.
“Meent u dat?”, vraagt ze bedeesd.
“Jazeker”, zeg ik vol overtuiging. “Hoe heet je?”.
“Anna. Maar iedereen zegt altijd Annie”.
“Annie, dan spreken we af dat jij over vijftien jaar hier terug komt en dan mag ik je dokter noemen. Akkoord?”.
Ze knikt giechelend.
“Goed zo. Afgesproken”, sluit ik af. “Dag Annie”.
Lachend huppelt ze terug naar haar vader.
“Dat duurde lang”, merkt Clara op als ik terugkeer in de woonkamer. “Een goed gesprek gehad?”.
“Jazeker”, beaam ik. “Ik heb gesproken met dokter Annie”.
“Dokter Annie”, klinkt het verbaasd.
“Misschien over vijftien jaar”, hoop ik. “Misschien dat ik een klein beetje aan haar noodzakelijke zelfvertrouwen heb bijgedragen”.
Sint Maarten is en blijft een mooie, bevredigende traditie.

