• Tuinfeest [2]

    Na twee merendeels doorwaakte nachten en een dag vol gepieker, besluit ik de confrontatie met buurman toch maar frontaal aan te gaan. En dus loop ik met vastbesloten pas richting aanpalende straat. Waarom zouden we ook een buurtfeest in onze tuin toestaan? Dat zou ook meer het karakter van een door ons georganiseerd tuinfeest voor de buurt hebben, bedenk ik ineens. En door die plotselinge inval weet ik hoe we het nakende gevaar kunnen afwenden.

    Ik bel aan bij het mij bekende adres en alras sta ik van aangezicht tot aangezicht met de kwelgeestende buurtgenoot.
    “Goedemorgen buurman”, steek ik van wal. “Ik wil nog even terugkomen op jouw vraag omtrent het buurtfeest”.
    “Aha”, nodigt de buurman met gelijk naar binnen. “Geen probleem, neem ik aan?”.
    “Om gelijk maar duidelijk te zijn”, werp ik tegen en negeer ondertussen zijn uitnodigende gebaren richting woonkamer. “We gaan dat niet doen en ik wil je even uitleggen waarom ik het een niet zo goed idee vind”.
    Buurman kijkt me verbijsterd aan.
    “Maar ik dacht…”, stamelt hij het begin van een antwoord.
    “Het mag duidelijk zijn dat wij het niet zo’n aanlokkelijk idee vinden om ruim tweehonderd mensen bij ons thuis uit te nodigen. Mensen, die wij voor het merendeel niet of nauwelijks kennen. En die dus vrijmoedig door ons privé komen banjeren. Dat vinden wij niet prettig en wij denken dat niemand dat aangenaam zou vinden. Denk je ook niet?”.
    “Nu je ’t zo zegt…”, klinkt het aarzelend.
    “En het tweede argument is veel algemener van aard”, kap ik hem af. “Dit evenement is bedoeld als een buurtfeest. Een samenkomst op gezamenlijk en dus neutraal terrein. Dat specifieke karakter zou verloren gaan als we het bij ons in de voortuin zouden houden. Dat is geen neutraal terrein en ik vraag me af of iedereen dat zo plezierig zou vinden”.
    “Daar zit inderdaad wat in”, meent buurman.
    “Samenvattend: moeten we niet doen”, sluit ik de beraadslagingen. “Fijn dat we het daarover eens zijn. Goedemorgen”.

    En ik keer op m’n schreden terug naar Groenestein. Ik voel me wel twintig kilo lichter en daar heb ik geen Ozempic voor nodig gehad.

  • Tuinfeest [1]

    Rond vieren gaat de bel. Clara loopt naar de voordeur en even later word ik vanuit de werkkamer geroepen. Eenmaal in de gang beland, zie ik haar een man naar de woonkamer begeleiden. En dus ben ik zeer benieuwd wie toegang tot ons privédomein heeft verkregen, want dat is, zeker bij Clara, een zeldzaamheid. Vol verwachting klopt mijn hart, maar even later is het verwachtingspatroon behoorlijk naar beneden bijgesteld.

    Eén van de buurmannen met wie we kennis hebben gemaakt tijdens de burendag, heeft zich comfortabel op onze bank genesteld. En gezien zijn tevreden houding lijkt hij niet van zins daar binnen al te korte tijd weer van te vertrekken. Buurman is ‘here to stay’, althans voorlopig.

    “Koffie?”, vraagt Clara uit beleefdheid. Het is duidelijk, ze weet niet goed hoe met deze door haar gecreëerde situatie om te gaan. Hoe weiger je immers een buurman zonder meteen de hele buurt voor de schenen te schoppen. En bovendien een buurman met gewicht; een der organisatoren van voornoemd buurtfeest. Voorlopig heeft ze besloten om de zaken maar enigszins op hun beloop te laten, zoveel is wel duidelijk.

    Buurman wil wel koffie. En zo te zien, wordt even later zeer duidelijk, had hij ook wel iets ‘bij de koffie’ verwacht.
    “Kijk, een bloot kop koffie”, luidt het ietwat ontevreden commentaar. Clara besluit die opmerking verder te negeren.
    “Buurman, hoe is het?”, schop ik maar eens een open deur in. “Alles goed thuis? ’t Is al weer een tijd geleden dat we elkaar hebben gezien”. Ongegeneerd rijg ik het ene cliché aan de andere platitude.
    Buurman schijnt het allemaal niet erg te vinden. Het gesprek koetjet en kalft het grootste deel van een uur door en de beleefdheid gebiedt ons ook iets anders dan koffie aan te bieden. Clara’s blik maakt zonneklaar dat ik me op gastronomisch gebied moet manifesteren.
    “Biertje, buurman?”, vat ik m’n taak als gastheer kort samen.
    “Sla ik niet af”, verklaart buurman onomwonden. Clara wil witte wijn en zo loop ik even later vanuit de keuken terug met een dienblad met glazen, een fles bier en een fles witte wijn. Als een volleerd ober serveer ik de vloeibare versnaperingen uit.
    Het bierglas blijkt overbodig.
    “D’r zit al glas um”, legt buurman z’n bouwvakkerige drinkmethode uit en voegt meteen de daad bij het woord. Een toast hoort blijkbaar ook niet tot het protocol.

    De fles wordt met een klap neergezet en buurman schraapt z’n keel. Het heeft er alle schijn van dat de werkelijke reden van het onverdeelde genoegen van zijn bezoek nu aan ons zal worden onthuld.
    “Wat ik eigenlijk namens de hele buurt wilde vragen”, draait hij langzamerhand ter zake, “heeft betrekking op ons buurtfeest. Zoals jullie weten doen we dat eigenlijk altijd op straat. Maar dat is altijd zo’n gedoe, met vergunningen van de gemeente. En dan moet alles ook nog weer de volgende dag opgeruimd zijn. Dat geeft altijd stress. Dus wij dachten, als we de tenten nu bij jullie op het gazon zetten, is dat probleem opgelost. Jullie behoren immers ook tot de vaste gasten, dus dat zou allemaal mooi passen. Wat denken jullie?”.
    Die hadden we niet zien aankomen. En blijkbaar hebben buurman en consorten er goed over nagedacht, want hoe zouden we dit kunnen weigeren zonder de risee van de buurt te worden? Ik voel lichte paniek.
    “Wel buurman, daar overval je ons nogal mee”, doe ik een poging de frontale aanval te pareren. “Daar willen we, als ik mede voor Clara mag spreken, nog even over nadenken. Het is nogal een drukte over de vloer, nietwaar? Wat bijvoorbeeld met sanitaire voorzieningen?”.
    “Ik neem aan dat jullie een wc hebben”, kaart buurman overbodig aan.
    “Dat wel, maar ik weet niet of we het prettig vinden straks ruim tweehonderd bezoekers op ons toilet te hebben”, merkt Clara terecht op. “Ik vind dat nogal een belasting op ons privé”.
    “We kunnen natuurlijk ook een Dixie bestellen”, stelt buurman voor.
    Een Dixie! In onze voortuin. Op ons ongetwijfeld tot pulp getrapt gazon. Ik begin koud zweet op m’n rug te voelen.

    “We gaan er es over nadenken”, kap ik de discussie maar af. “Maar we staan eerlijk gezegd niet te popelen over dit idee”.
    “Denk er maar es over”, zegt buurman en maakt aanstalten te vertrekken. “Het is een redelijke vraag en eerlijk gezegd rekenen we op jullie! Bedankt voor de gastvrijheid!”.

    Even later kijken Clara en ik elkaar met lichte wanhoop aan. Hoe kunnen we dit in vredesnaam weigeren, zonder de hele buurt te schofferen? We voelen ons bekwaam in een hoek gedreven en we kunnen moeilijk als katten in het nauw worden gestempeld, dus noodsprongen zijn uitgesloten. We hebben een plan nodig. Of een ingreep van de voorzienigheid.

  • Stille strijd

    Gedichten zijn er in soorten en maten. Het grappige aan die voor de hand liggende vaststelling is dat die ‘maten’ er niets toe doen; en dat er slechts twee ‘soorten’ zijn: goede en slechte. ‘Size doesn’t matter; quality does’.

    Dat geldt zeker ook voor het volgende vers:

    Een treffend bewijs dat niet iedereen dezelfde logica hoeft te hanteren. Niemand is verplicht te antwoorden en wie zwijgt, stemt zeker niet altijd toe. Bevelen worden stilzwijgend genegeerd en niet automatisch opgevolgd. Sociale mores blijken niet voor iedereen in gelijke mate te gelden.

    In die zin is dit gedicht een oproep tot verzet, tot stille strijd. En tot begrip voor mensen die wellicht andere denkwijzen hanteren dan de gangbare. De sterkste heeft niet altijd gelijk, al kan hij proberen dat gelijk door te drukken. Zwijgzaamheid van de wederpartij is dan geen bewijs van overwinning, maar van misplaatste zegeroes.

    Dit gedicht zou eigenlijk een van de ruim bemeten wanden van de nieuw te bouwen balzaal van het Witte Huis kunnen sieren. In goud, uiteraard, want spreken is slechts zilver.

  • Inbreuk

    Bijgelovig ben ik nooit geweest. Nooit last gehad van angst voor zwarte katten of passages onder ladders. En toen ik nog voetbalde, had ik geen voorkeur voor een specifieke gelukbrengende onderbroek. Bij mij geen rituelen om de schikgodinnen gunstig te stemmen. Een in alle opzichten nuchtere Groninger.

    Daarom was ik ook tamelijk verbaasd dat ik uitgerekend op deze dag een bestraffende email van het Algemeen Nederlands Persbureau mocht ontvangen. Een email in niet mis te verstane bewoordingen:

    Een verontrustend bericht. Natuurlijk zit ik fout. Ik heb een foto gebruikt (gezocht met de zoekterm ‘free of copyright) van een handvol ME-ers bij straatrellen en deze vervolgens op de site geplaatst. Fout!

    Ik heb me per omgaande verontschuldigd voor mijn onvergeeflijke overtreding en gevraagd of er, gezien de omstandigheden (geen opzet of moedwil, geen commercieel doel en geen inbreuk op de nieuwswaarde van de foto, die immers veel eerder in kranten en op sites was verschenen) enige coulance kon gelden.

    Het wordt snel duidelijk: dat is niet aan de orde. Ongelukkig of niet; er moet worden betaald. Dat de betreffende fotograaf inmiddels al lang adequaat voor z’n prent is betaald, doet niet ter zake. Regels zijn regels en we kunnen daarop geen uitzonderingen maken, wordt me in een mailtje met maar liefst drie verschillende lettertypes (‘copy-paste’ uit standaard tekstjes ongetwijfeld) heel persoonlijk uit de doeken gedaan.

    Direct het licentiebedrag overgemaakt. Ik wil geen gedoe met dat soort ‘fotopolitie’. En ik heb gelijk de gehele site fotovrij gemaakt. Ook de plaatjes die ik zelf heb gemaakt, moeten er aan geloven. Iedereen met een smartphone kan immers gelijksoortige beelden ‘schieten’ en er vervolgens door middel van geclaimd auteursrecht een aantrekkelijk verdienmodel mee opstarten. Ik neem geen enkel risico meer.

  • Kraken

    Wederom een ziekenhuisbezoek. Check-up bij de reumatoloog. En die komt met berichten die ik liever niet had gehoord. De huidige cocktail van medicijnen (Leflunomide – Methotrexaat) slaat onvoldoende aan. De bloedbezinking is nog altijd te hoog, het HB-gehalte daalt naar bedenkelijk peil en er zijn nog altijd ontstekingen in mijn handen.

    En dat, terwijl ik juist een stuk positievere uitslag had verwacht, want het ongemakkelijke gevoel in handen en voeten is goeddeels verdwenen. Kun je zien in hoeverre je eigen gevoel bedrieglijk kan zijn. Eens te meer geldt: meten is weten.

    Een en ander heeft tot gevolg dat we andermaal een nieuwe medische afslag nemen. Bloedonderzoek, consult bij longarts en voorbereiding op nieuwe medicijnen. Die ditmaal niet in de vorm van tabletten komen, maar die geprikt moeten worden. Dus hoort een prikinstructie ook in het pakket.

    De wagen begint ondertussen aardig te kraken. Nu maar zien hoe lang deze gaat lopen.

  • Hoogmoed

    Bij een eerdere gelegenheid schreef ik al over helden uit mijn jeugd, die naderhand met een daverende klap van hun, door mijzelf overigens opgerichte, sokkel zijn gelazerd. En dit keer richt ik mijn vileine pijlen op de muziek van de jaren ’70.

    Eén van de revelaties van dat decennium was de supergroep Emerson, Lake & Palmer. Alle drie de musici met een imposante carrière achter de rug: Emerson bij The Nice, Lake bij King Crimson en Palmer bij The Crazy World of Arthur Brown. Inderdaad, de band van ‘Fire’ met de ‘brandende zanger’. In ieder geval hadden de heren hun sporen verdiend.

    Eén van de meest opvallende nummers van hun debuutelpee was ‘Take A Pebble’.

    Geen poëzie voor een bloemlezing, maar ook weer niet al te beroerd. In ieder geval een beloftevol begin.

    Lake kreeg daarna last van hoogmoed. Hij eiste een Perzisch tapijt op het toneel. Kosten: £ 20.000,-. En wee diegene die het waagde dat karpet tegen de pool in te stofzuigen. Ontslag op staande voet. De waanzin ten top. Grenzeloze ego’s. Uit hun verband gerukte persoonlijkheden. Het is dan ook nauwelijks verwonderlijk dat het driemanschap geen al te lang leven beschoren was. Wat er met de Pers is gebeurd, blijft onbekend.

  • Dieptepunt

    We hebben nu al tijdenlang vastberaden geleefd met de veronderstelling dat de tijden van de Ku Klux Klan en ‘white supremacy’ tot een duister verleden behoren. Dat er weliswaar nog lang geen sprake is van raciale gelijkwaardigheid – en zeker niet in de landen waar de verschillen tussen wit en zwart ook in wetten en regels tot uiting waren gebracht – maar dat tegelijkertijd die mensonwaardige segregatie voor een belangrijk deel is afgeschaft. Dat we relevante stappen hebben gezet naar veel evenwichtiger samenleving; uitgaande van simpele, voor de hand liggende vertrekpunten: er is één God, namelijk die van ons allemaal; er is één ras, het menselijk ras; en er is één liefde, namelijk die tussen twee volwassen mensen. Alle andere grondregels zijn pertinente flauwekul, door mensen verzonnen om anderen te minimaliseren, te kleineren, weg te zetten, te discrimineren. Gezond verstand zou die bedrieglijkheid aan het licht moeten brengen.

    Dat laatste blijkt minder en minder het geval. Mensen lijken hun verstand ’s ochtends op het nachtkastje te laten liggen om een minder complexe dag te hebben. Niet nadenken kan je leven aanmerkelijk vergemakkelijken. En hetzelfde geldt voor onwrikbare standpunten en dogmatische overtuigingen. Wetenschap is ook maar een mening, is het niet? In die invallende menselijke duisternis komen demagogen en volksmenners steeds vaker weg met abjecte uitlatingen en infame beledigingen.

    Het voorlopige dieptepunt hebben we gisteren bereikt. De president plaatst een filmpje waarin de voormalige president en zijn ‘first lady’, de Obama’s, als apen worden geportretteerd. Een flagrante vorm van openlijk racisme, die zelfs menig geharnaste Republikein veel te ver gaat. Mr. T. vertrekt echter geen spier, geeft zonder te knipperen een van zijn medewerkers de schuld en gaat over tot de orde van de dag. Excuses aan de beledigde familie Obama komen vanzelfsprekend niet uit zijn mond. De witte puntmutsen in de ‘southern states’ worden voorzichtig uit de kast gehaald en alvast voor voorkomende gelegenheden onder het strijkijzer gelegd. De eerste lynchpartijen hebben we al gezien in Minnesota. De feiten daar worden glashard ontkend en het vereiste onderzoek naar behoren gemanipuleerd. Waarheid kan immers lastig zijn en kritiek leidt alleen maar af.

    Wanneer zullen de eerste kruisen op Capitol Hill branden?

  • Weerloos

    Het schrijven van een biografie is soms een uitdagende taak. Zeker als het onderwerp een redelijk bekend persoon of een groep personen is. Een onderwerp waarover dus al heel veel bekend is en waarbij je het gevaar loopt in herhalingen te vervallen. Het streven naar originaliteit komt in die situaties sterk onder druk te staan. En juist dat is in feite de enige rechtvaardiging van het onderhanden zijnde werk: originaliteit.

    Het verhaal van Pink Floyd is misschien bij het grote publiek slechts gedeeltelijk bekend, maar in de ‘inner circle’, waartoe ik ook mezelf reken, is het allemaal gesneden koek. En dus is de vraag welke van de open deuren tóch ingetrapt moeten worden, en welke details werkelijk te klein zijn voor een ‘mainstream’ biografie.

    Ik heb die vragen voorlopig maar even terzijde gelegd en ben ‘gewoon’ begonnen. Tot tevredenheid van de uitgever, gelukkig maar. En dus ploeter ik dagelijks voort. Schrijven is handwerk, dat blijkt maar weer. Meer transpiratie dan inspiratie, zoals kon worden verwacht.

    Het schrijven van een dergelijke biografie brengt ook weer zeer merkwaardige toevalligheden naar boven. Wat immers te denken van de verschijning van Syd Barrett in EMI Studio’s, juist op het moment dat ‘Wish You Were Here’ wordt afgerond. Een in alle opzichten dramatische gebeurtenis. Syd, eind jaren zestig al mentaal onherkenbaar veranderd, bleek bij deze gelegenheid ook fysiek totaal anders. De voormalige charismatische frontman was een corpulente, kale ‘Madcap’ geworden; onvoorspelbaar, onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk. Geen wonder dat de overige bandleden tot tranen geroerd waren.

    Met dat in het achterhoofd, krijgt de poëtische tekst die Roger Waters eerder schreef, een totaal andere en veel diepere lading. Een songtekst, die in menig dichtbundel in het geheel niet zou misstaan:

    Een nostalgische wanhoopskreet. Een pijnlijk verlangen naar betere tijden. Het niet accepteren van het onvermijdelijke. Het vermalen genie. Alles van waarde bleek ook deze keer weer hopeloos weerloos.

  • Bevrijding

    Eind van de morgen rijd ik weg van Groenestein. Ik word tegen drieën in Wageningen verwacht voor een boekpresentatie van mijn inmiddels goede vriend Wim Huijser. Dat boek heeft, hoe kan het bijna anders in Wageningen, alles te maken met de rol van Hotel De Wereld bij de Duitse capitulatie, ruim tachtig jaar geleden.

    Wim en zijn twee mede-auteurs, hebben er een behoorlijke kluif aan gehad. Urenlange, zeg maar dagenlange gesprekken en tientallen archiefdozen dienden te worden doorstaan voordat de ruwe versie op papier kwam. Met als voortdurende ‘cliffhanger’: is De Wereld werkelijk het geëigende decor voor de jaarlijkse herdenking en aanverwant eerbetoon? Voor zover ik dat tot nu toe heb begrepen, bleek dat allemaal kantje boord.

    Uiteraard ben ik veel te vroeg in Wageningen. Ik parkeer de auto aan de Generaal Foulkesweg (hoe toepasselijk) en wandel naar het centrum. Gelukkig heb ik ampel tijd om in het hotel snel een uitsmijter weg te werken. Ik gooi juist m’n servet neer als Wim ten tonele verschijnt. We groeten elkaar hartelijk, maar veel tijd voor ‘chitchat’ is er uiteraard niet.

    Later, na enkele interessante en bondige – en eerlijk gezegd ook vervelende en langdradige – betogen, wordt het onderhavige boek overhandigd aan Floor Vermeulen, burgemeester van Wageningen. In de gelukkige omstandigheid dat ‘zijn’ stad onverkort de ‘bevrijdingsstad’ van Nederland is gebleven. Aansluitend volgt een keur aan koetjes en kalfjes. Ik grijp mijn exemplaar van Wim’s boek, groet hem snel in het voorbijgaan en zoek de auto weer op. Uiteraard raak ik bij Arnhem in de file; die stad is altijd al een spelbreker geweest.

  • Gladheid

    Groenestein tooit andermaal wit. Het noordoosten van Nederland heeft te maken met wat hardnekkig nagepruttel van de winter. Met als gevolg dat auto’s in sloten belanden en fietsers op de Eerste Hulp. Het lijkt erop dat het concept ‘winterse gladheid’ maar moeilijk tot het bewustzijn kan doordringen. Haast en gejaagdheid worden blijkbaar niet ingetoomd door de realiteit van ijzel en opvriezende wegen. Alsof de opwarming van de aarde nu al een permanente plek in ons collectieve denken heeft verworven.

    Misschien dat ze daar in de VS ondertussen anders over zijn gaan denken. Grote delen van dat land hebben te maken met bittere kou, sneeuwbuien en andere extreme winterse ellende. Het kwik is op sommige plaatsen gedaald tot -30 °C en de stroom is op vele plekken uitgevallen. Ik neem zo maar aan dat ze daar de winter weer volkomen serieus nemen.

    Maar aan de andere kant: klimaatsceptici zullen dit allemaal aangrijpen om de temperatuurstijging nog maar eens te ontkennen. We zullen moeten leven met het feit dat het brein bij dergelijke lieden te maken heeft met permafrost. Dat valt allemaal niet te ontdooien tot redelijkheid.