• Kleine wonderen

    Oudejaarsavond. Hét moment waarop de schier ontelbare televisiezenders hun topamusement op ons los laten. Dat streven blijkt gestalte te hebben gekregen in een drietal speerpunten. We worden vergast op ‘De Vrienden Van Amstel’. Of die titel betrekking heeft op de voorkeur van de optredende artiesten voor dit biermerk, of voor de bekende rivier, blijft onduidelijk. Een derde mogelijkheid is dat de titel een weinig originele en verheffende manier is om de naam van de sponsor luid te laten doorklinken. Hoe het ook zij, het repertoire van deze ruim vooraf opgenomen show, bestaat uit muzikanten die elkaars nummers ten gehore brengen. En in de regel gebeurt dat op een wijze die verre inferieur is aan het origineel. Het maakt het aanwezige publiek niets uit. Het gesponsorde bier heeft de kritische grens tot bedenkelijk peil teruggebracht.

    Het tweede speerpunt wordt gevormd door vier oudere heren, die zich zonder enige schroom als ‘De Toppers’ afficheren. Op welk terrein ze blijkbaar het summum van Nederland zijn,  blijft geheel onduidelijk. Niettemin blijkt de Johan Cruijff Arena gevuld met mensen die hun gezonde verstand thuis hebben gelaten. De avond wordt gevuld met ‘over the top’ uitvoeringen van bekende meedeiners en andere ‘evergreens’. De uitvoeringen zijn matig, maar dat deert het publiek totaal niet. Ze zijn erbij, ze willen vermaakt worden en ze komen in beeld. De aanwezigheid op sociale media als toppunt van vertier.

    En dan het derde wapenfeit: de Top 2000. Busladingen vol dwazen die gewapend met plastic gitaren, knipperende brillen en vreemdsoortige ‘outfits’ dagenlang de vaderlandse televisie hebben besmeurd. En waarbij de dj’s van Radio 2 aanleiding vonden voor absurd gedrag. Alsof ze met hun rol op de kijkbuis geen raad wisten en dus maar doorschakelden naar een vermoede status als bekende Nederlander. Daarbij vergaten ze hun feitelijke en zeer overbodige rol: het aankondigen van de nummers die volgden en waarvan werkelijk alle details in beeld verschenen.

    De geestelijke armoede ten top. Gelukkig weten we in het Drentse dorp Erica nog een poëtische ‘songwriter’ die precies weet te verwoorden waar klein geluk om draait.

    Geen uitbundigheid, geen luchtgitaren, geen opgeklopte ego’s. En vooral: geen sociale media waar het aantal ‘likes’ blijkbaar je mentale welbehagen weergeeft. Simpelweg genieten van de kleine wonderen om je heen. Een verademing.

  • Veilig

    We ontvangen een deftig schrijven van de Gemeente. In de regel is dat geen goed nieuws. Meestal kost dat geld. Het college van Burgemeester en Wethouders geeft ons in overweging dat het wandelen door Park Groenestein door sommige mensen als onveilig en bedreigend wordt ervaren. Zeker in de schemering en des nachts. Om daaraan tegemoet te komen, denken B&W aan de mogelijkheid om straatverlichting op cruciale punten op de wandelpaden te installeren. En ze doen daarbij direct het voorstel om de hiermee gepaard gaande kosten te middelen.

    De verbijstering slaat ogenblikkelijk toe. Straatverlichting? Op diverse punten in het park? Waanzin! We gaan toch ook geen verlichting plaatsen in het Sterrebos? Zeker niet als het onderhavige park privébezit is. Dit voorstel komt erop neer dat wij moeten zorgen dat derden, wanneer ze zich op ons grondgebied bevinden, zich veiliger ervaren. Een kwestie van de wereld op zijn kop zetten.

    Dit is een klassiek geval van ‘een vinger geven’; de Gemeente heeft al eerder pogingen gedaan om de greep op het landgoed te verstevigen. Het is blijkbaar bij vele politici een doorn in het oog dat ergens in het zuidoosten van de stad een schijnbaar onaantastbare enclave ligt. Een privé-oase in een woestijn van sociaaldemocratische geldingsdrang. En dus wordt van tijd tot tijd een poging gedaan om de overeenkomst die mijn opa decennia geleden heeft ondertekend, steeds wat verder op te rekken. Een overeenkomst, waarbij feitelijk en juridisch een recht van overpad is geregeld voor omwonenden. Een recht dat door de Gemeente destijds meteen werd ‘verkocht’ als ‘openstelling voor het publiek’. En dat publiek vergt nu klaarblijkelijk verdere aanpassing voor haar gerief. Althans, zo willen de politici ons doen geloven.

    Het wordt tijd weer eens orde op zaken te stellen.

  • Subtiel

    ’s Morgensvroeg verschijnt de druktemaker met een aanhanger vol ijzerwerk. Eind vorige week heeft hij de herziene voorstellen aan ons getoond en zijn we akkoord gegaan met de plannen. En nu zijn die plannen klaarblijkelijk al omgezet in metalen realiteit.

    Even later wordt er driftig met grondboren gewerkt om de betonnen poeren, die het hekwerk moeten schragen, in de grond te doen verzinken. Tegen half elf nodigen we de man uit voor koffie op het terras – het is vandaag prachtig weer – en ondertussen is de halve ijzervoorraad verwerkt.

    Kort na de lunch komt de man trots vertellen dat de klus geklaard is. En inderdaad, het privégedeelte van de voortuin is subtiel, maar onontkoombaar afgescheiden van het publieke gedeelte. Kortom, we mogen tevreden zijn.

    Na de nodige loftuitingen onzerzijds, verdwijnen bus en aanhanger via de oprit uit het zicht. We zijn verguld met het eindresultaat. En hopelijk zijn we nu verlost van de ongevraagde en zeker ongenode gasten die zich aan ons willen opdringen. Hoeven we ons daarover in ieder geval niet meer druk te maken.

  • Hoge nood

    Ik maak een rondje door Groenestein en ook buitenom het park. Op de terugweg draai ik vanaf de Helperbrink het park weer in en ontdek even later een man die overduidelijk tegen een boom staat te urineren. Hoewel ik veel begrip heb voor de hoge nood die af en toe kan opkomen, vind ik dit toch al te gek. En dus wacht ik even tot de man de klus heeft geklaard, alvorens hem aan te spreken.

    “Neem me niet kwalijk”, open ik. “Maar vindt u het normaal om hier uw behoefte te doen?”.
    De man kijkt betrapt, twijfelt even en besluit dan razendsnel om de aanval te openen.
    “Zeg es, waar bemoei jij je mee?”, klinkt het onbeschoft.
    “Het lijkt me vrij onbehoorlijk om hier in het openbaar te plassen”, probeer ik voorzichtig. “Dat mag gewoon niet”.
    “D’r mag zoveel niet”, oordeelt de man. “Wat heb jij er overigens mee te maken? Dit is openbaar terrein”.
    Dat is het overduidelijk niet. En alsof dat ook wat uitmaakt. Hoe dan ook, ik voel er weinig voor om me nu al bekend te maken. En dus gooi ik het over een andere boeg.
    “En je mag dus in het openbaar staan te plassen”, concludeer ik. “Gewoon op straat, tegen een lantaarnpaal. Of bij u voor de deur”.
    “Natuurlijk niet. Daar kan iedereen het zien. En wat denk je van de stank?”.
    “U weet niet dat dit privé terrein is?”, informeer ik. “U staat dus gewoon bij iemand in de tuin te pissen”.
    “Donder toch op, man! Privé bezit? Dit is toch allemaal van de gemeente?”.
    Net of dat verschil maakt.
    “Nee hoor”, weerleg ik. “Dit is toegankelijk voor het publiek. Maar er wordt wel verwacht dat mensen zich als gasten gedragen. En daar hoort dit gedrag niet bij, of denkt u daar anders over?”.
    De man kijkt me verbluft aan. Dan blijken zijn argumenten opgebruikt.
    “Ach man, val toch dood met je geluk. Bemoei je toch met je eigen zaken!”.
    “Dat ben ik inderdaad aan het doen”, leg ik uit.
    Pas dan valt het kwartje. Maar niettemin eist hij het laatste woord.
    “Krijg toch de kolere!”.
    Op de een of andere manier krijg ik het idee dat we uitgepraat zijn.

  • Bordjes

    Groenestein baadt in stralende zonneschijn. Het is dan ook aangenaam warm op het terras achter het huis. Dat is een plek die bewust is gekozen, want op de een of andere manier blijven de bordjes die nadrukkelijk aangeven dat dit gedeelte van het park privéterrein is, voor vele mensen onopgemerkt.

    Ook vandaag blijkt het park weer een verzamelplaats voor mensen met een ferme visuele beperking. Net na de middag openen we de parasols op het terras en kort daarop gluren de eerste wandelaars om de hoek van het huis.
    “Kunnen we hier even uitrusten?”, klinkt het hoopvol. “Is er hier ook bediening?”.
    Het kost veel moeite deze slechtzienden er van te overtuigen dat ze zich in de tuin van een privéwoning bevinden. Geërgerde reacties zijn ons deel.
    “Het zou misschien handig zijn als mensen dat zouden kunnen weten”, antwoorden ze geïrriteerd. “Zet een bord neer, of zo!”.
    Als we vertellen dat ze minimaal drie borden met het opschrift ‘privé terrein’ zijn gepasseerd, maakt dat weinig indruk.
    “Dan zijn die veel te onopvallend”, luidt de conclusie. “Nu zijn we hier helemaal voor niets heen gelopen”.
    Discussie is zinloos. Dit zijn mensen van het zelfverkozen gelijk. ‘Helemaal heen gelopen’ betekent in dit geval ‘ongeveer dertig meter’. Niet bepaald een Spartaanse strafmars. Mokkend verdwijnt het duo uit het zicht.

    Nog geen uur later melden de volgende vier bezoekers zich op ons terras. Ditmaal komen we er wat minder genadig van af.
    “Patsers!”, valt het oordeel. “Jullie denken zeker dat je alles kunt maken. Geld koopt zeker alles? Val lekker dood met je hele park”.
    Woest benen de terraszoekers uit ons gezichtsveld. We kijken elkaar verwonderd aan. Wat te doen? Afsluitende ketting? Hekwerk? Beveiligers? Automatische wapens? Allemaal in tegenspraak met de geldende afspraken.

    Blij dat we het park hebben opengesteld voor het publiek.