• Onafhankelijk

    Het is 1975. Vandaag wordt de voormalige kolonie Suriname onafhankelijk en ontstaat formeel de Republiek Suriname. Deze dag veroorzaakt euforie in het voormalige wingewest. Men is eindelijk verlost van de allesbepalende overheersing van de voormalige kolonisator en als we de inheemse politici mogen geloven wacht het nieuwe land een gouden toekomst. Daar denken vele Surinamers echter totaal anders over, want velen pakken hun boeltje en boeken een enkele reis naar Nederland. In Suriname zelf ontstaan in de aanloop naar deze dag behoorlijke raciale spanningen, omdat diverse bevolkingsgroepen zich achtergesteld of zelfs gediscrimineerd voelen. Uiteindelijk weet het kabinet Den Uyl veel van die plooien glad te strijken en kan een en ander vandaag z’n officiële beslag krijgen. Koningin Juliana ondertekent de bijbehorende verdragen, gewapend met een indrukwekkend vlindermontuur en haar oudste dochter viert de feestelijkheden in Paramaribo op uitbundige wijze mee.

    Hier in Nederland blijken veel mensen maar matig tevreden over deze gang van zaken. We hebben weliswaar vele decennia lang enorme bedragen verdiend met de exploitatie van West-Indië, maar nu wordt gesproken over financiële ondersteuning en herstelbetalingen vinden velen elke gulden teveel. En die instroom van Surinamers kan ook niet op veel enthousiasme rekenen. Nederland toont zich op z’n smalst.
    In de chauffeurskamer van de EKP in Groningen worden bedenkelijke opmerkingen en ronduit racistische grappen gemaakt over onze ‘nieuwe’ landgenoten. Wie op korte termijn een timmerklus op het programma heeft, kan het best voor Surinaams hout kiezen: “Omdat dat niet werkt”. Hilariteit alom. Verwerpelijke denkbeelden verpakt in rabiate humor. Nederland is op heel veel fronten niet klaar voor deze intocht van mensen uit een land dat toch echt voor kort als ‘Nederland’ werd aangeduid. Sommige landgenoten zijn blijkbaar toch minder in tel dan andere. Een situatie die nog vele jaren blijkt voort te duren en feitelijk tot op de dag van vandaag doorettert. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de beschamende Zwarte Piet-discussie. Allemaal bepaald niet fraai.

    In de tussenliggende jaren heeft Suriname stormachtige tijden gekend. Een bloedige staatsgreep door de omhoog gevallen legerleider Bouterse, de strapatsen van halve of hele crimineel Brunswijk, de terugkeer van Bouterse als veroordeelde drugscrimineel én onbeperkt in de staatskas graaiende president en een schier eindeloze rij van corruptiezaken. En de recente vondst van enorme olievelden voor de kust heeft ook al weer aanleiding gegeven voor bedenkelijke regeringsplannen. Het is dan ook de vraag wie gaat profiteren van de mogelijke miljardenwinsten die dit alles gaat opleveren. Het zal vermoedelijk niet de bevolking zijn.

    Het is 2025. Een nationale feestdag in de West. Mensen dansen op straat in Paramaribo en er lijkt een uitbundige stemming in de hoofdstad van dit vijftigjarige land. Nederland kijkt ietwat hoofdschuddend toe. Wat valt er immers te vieren? Onderwijs, zorg en de totale economie zijn grote zorgenkinderen. Die voorlopig niet onder controle zijn. Maar één ding is zeker: de onafhankelijkheid staat als een paal boven water. Het is alleen de vraag welke prijs die onafhankelijkheid heeft gehad.

  • Speelbal

    ’s Nachts zit Rutte in mijn werkkamer. Hij ziet er oud, afgeleefd, ongelukkig, en gespannen uit. Hoe hij in de vredesnaam in mijn werkvertrek terecht is gekomen, blijft een raadsel. En dat, terwijl we toch in een geavanceerd, en daardoor natuurlijk prijzig, alarmsysteem hebben geïnvesteerd. Dat heeft hij nooit kunnen en mogen omzeilen. De conclusie ligt dus al snel voor de hand: ik droom.

    Dat weerhoudt me er overigens niet van een heus gesprek met hem aan te knopen.
    “Mark, wat brengt jou naar Groenestein? Da’s toch een hele rit vanuit Brussel?”, doe ik mijn openingszet.
    “Groningen is inderdaad niet naast de deur”, erkent hij. “Maar ik moest je even spreken. Ik voel me namelijk erg ongelukkig in m’n nieuwe job”.
    “Die indruk wek je overigens niet”, weerleg ik. “Het lijkt wel een jofel baantje voor jou”.
    “Dat is het in wezen ook”, doet hij uit de doeken. “Maar ik heb voortdurend te maken met misleidende kretologie, sturend populisme, hele en halve leugens en ego’s ter grootte van een flinke alp”.
    “Helaas heb je zelf flink meegewerkt aan die ontwikkeling”, help ik hem herinneren. “Ik heb je in 2006 al gewaarschuwd voor die zorgwekkende trend in politiek en maatschappij. Daar heb je je niets van aangetrokken. En nu zitten we allemaal met de gebakken peren”.
    “Ik? Meegewerkt aan die trend?”, houdt hij zich van de domme.
    “Kom, Mark, laten we er niet omheen draaien”, zet ik hem streng op het juiste spoor. “Wat te denken van ‘geen actieve herinnering’? Wat was dat voor doorzichtige leugen? En € 1.000,- voor alle hardwerkende Nederlanders? Allemaal kreten en beloften die je nooit hebt waargemaakt. En die je ook niet van plan was waar te maken. Allemaal egoïstische retoriek om jezelf en de partij op een bedenkelijke manier op het schild te hijsen. Je bent een van de architecten van dat soort ‘klets-maar-raak’ strategieën”.
    “Klopt helemaal”, trekt hij het boetekleed aan. “Ik had beter moeten luisteren. Maar gedane zaken nemen geen keer. De vraag is wat we nu moeten doen?”.
    “Die geest krijgen we nooit meer in de fles”, concludeer ik. “Dus jij zult je weg moeten vinden in de slangenkuil van patjepeeërs en non-valeurs”.
    “Dat betekent dus nog jaren slijmen en bruine armen halen”, vat hij geschrokken samen.
    “Ik vrees het wel, Mark”, onderschrijf ik zijn conclusie. “Je bent een speelbal geworden. Een speelbal van politici zoals jij er zelf een was. Je hebt je eigen ellende mede gecreëerd”.

    Hij zucht en staart een ogenblik voor zich uit.
    “Het is niet anders”, klinkt het licht wanhopig. “Dan ga ik maar op dezelfde voet verder. Wat een triest gedoe”.
    Hij oogt lusteloos en vermoeid. De tijd lijkt eindelijk vat op hem te hebben gekregen.
    “Het ga je goed, Mark”, zeg ik tot afscheid.
    Hij verdwijnt door de deur naar de gang. Als ik even later dezelfde deur open, is er niets meer te zien. Alsof hij is opgelost in een rookvlaag.

    ’s Ochtends word ik verkwikt wakker. Ik voel me fris en uitgeslapen. Carpe diem.

  • Straatverlichting

    ’s Ochtends, we zitten net aan de koffie, gaat de telefoon. Aan de andere kant van de lijn ontpopt zich een zekere heer De Bruin. Een ambtenaar van de Gemeente Groningen. De reden van zijn telefoontje laat zich raden.
    De Bruin komt dan ook snel ter zake.
    “We hebben uw brief ontvangen”, opent hij. “En daar zijn we toch wel een beetje verbaasd over”.
    Zo”, houd ik me op de vlakte. “Ik dacht dat die brief toch wel duidelijk was. Er kan geen sprake zijn van straatverlichting op Groenestein”.

    “Dat u daar op tegen bent, hebben we begrepen”, zalft De Bruin door. “Maar we hadden eerlijk gezegd op wat meer begrip van uw kant gehoopt”.
    “Begrip? Waarvoor begrip?”, leid ik hem naar de kern van zijn boodschap.
    “Voor het feit dat mensen zich soms toch behoorlijk onveilig voelen als het wat donkerder wordt”, legt hij omstandig uit. “Dat lijkt me toch iets waar we allemaal rekening mee moeten houden”.
    “U bedoelt dat ik het moet faciliteren dat mensen in het donker door mijn tuin en rond mijn huis kunnen scharrelen?”, ga ik in de tegenaanval. “Daar voel ik me namelijk onveilig bij”.
    “U maakt het nu wel heel simpel”, antwoordt hij. “De werkelijke situatie ligt wat complexer”.
    “Zal ik het eens echt simpel maken?”, onderbreek ik hem. “Heeft u een tuin?”.
    Het antwoord is bevestigend.
    “Hoe staat u er tegenover als er een lantaarnpaal midden in uw tuin wordt geplaatst omdat de buren zich soms onveilig voelen als ze voorbijlopen? Hoe begripvol bent u dan?”.
    De Bruin vindt dat die vergelijking behoorlijk mank gaat.
    “We praten in uw geval over een publiek domein. Over een openbaar toegankelijk gebied. Dat maakt de zaak uiteraard wel wat anders”.
    “Dat ziet u toch helemaal verkeerd”, maak ik aanstalten om het gesprek af te sluiten. “Groenestein is niet openbaar, maar privébezit. We hebben het recht van overpad gegeven, niets meer. Mensen mogen hier rondlopen, maar hebben daar het recht niet toe. Wij gedogen dat. ’s Avonds hebben ze hier niets te zoeken. En dat gaan we zeker niet aanmoedigen door gerieflijke verlichting. Ik hoop dat dat duidelijk is?”.
    “Maar, in alle redelijkheid….”, doet hij nog een poging.
    “Meneer De Bruin, het gaat niet gebeuren. En wellicht ten overvloede, de overeenkomst aangaande het overpad geldt telkens voor een periode van vijfentwintig jaar, om dan stilzwijgend verlengd te worden. Misschien dat we moeten overwegen die volgend jaar op te zeggen. Dat is, neem ik aan, niet de bedoeling”, kap ik de discussie af. “Goedemorgen”.

    Ik hang op. Clara kijkt me aan en knikt.
    “Koffie?”.

  • Geruststelling

    “Ik maak nog even een ommetje”, kondig ik aan.
    Het is bijna kwart over tien en de schemering daalt over Park Groenestein.
    “Tot zo”, klinkt Clara vanuit de keuken.
    Ja, tot zo! Ik open de achterdeur en loop om het huis naar het looppad aan de rechterzijde. Langzaam volg ik dit pad naar de vijver, schuin achter het huis. De temperatuur is uiterst aangenaam en de vogels zorgen voor een onderhoudend avondconcert. Groenestein is onder deze omstandigheden op z’n voordeligst.
    Ik volg de bocht en kom bij de tweede groene vijver. Tot mijn verbazing ben ik niet de enige die deze wandeling maakt. Aan de rand van de vijver staat een man die ik op eind vijftig schat. Hij is gekleed in bermuda met niet bijbehorend lawaaishirt. Een verkleurd hoedje vormt de finishing touch van dit ensemble.

    “Goeienavond”, groet ik.
    “Moi”, klinkt het melodieus Gronings retour.
    “Lekker weer om te wandelen”, doe ik een weinig originele poging tot conversatie.
    “Zeker man”, bevestigt de wandelaar. “’t Mocht van mie wat kolder, maar verder is ’t prima”.
    “”Dat valt toch wel mee”, probeer ik. “Hier in dit park is het tegen deze tijd toch heerlijk?”.
    “Klopt. ’t Zal mie allennig benieuwen hou laang dit nog duurt”.
    “Hoezo? Staat er iets te gebeuren?”.
    “Eem afwacht’n”, meent de vreemdeling. “’t Schient dat er een neie eig’noar is en die wil de hele boel veur ons afsluut’n, heb ik begreep’n”.
    “Meent u dat nou?”, hou ik me van de domme. “Ik dacht dat de gemeente daarover ging”.
    “Dat is een kwestie van afwacht’n”, stelt de man vast. “ik heb heurd dat die neie kerel toch wel wat wil veraander’n. Schient een apaarte vogel te weez’n”.
    “U weet meer dan ik”, voedt ik verder. “Hoezo, vreemd?”.
    “’t Is de zeun van dat oale mens dat hier eerder woonde. Die had er ook oine in ’t mous loop’n”.
    Ik heb tot mijn 26e in Groningen gewoond en versta het dialect dus prima. Ik kan het alleen niet goed spreken, zonder mij intens belachelijk te maken.
    “U bedoelt dat ze dement was?”, vraag ik voorzichtig.
    “Joa man, oaderverkalk’n”, bevestigt hij. “Da’s noit best, natuurlijk”.
    Zeker niet. Maar waarom zou die zoon de bestaande regels willen veranderen?
    “Ach, dat bin’n allemoal van die roare snuuters”, meent de man. Da’s gewoon aander volk as wie. Doar kunde niks van op aan”.
    “Maar dat kunnen ze toch niet maar zo veranderen?”, meen ik naar waarheid.
    “Dat wait je moar nooit met dat volk”, twijfelt hij. “Dat doet moar woar ze zin in heb’n. ’t Wordt tied dat de gewone minsen door wat over te zeg’n krieg’n”.
    “Misschien wel”, hoop ik tegen beter weten in. “Wat zou u dan veranderen?. Gesteld dat u morgen de eigenaar hier bent, wat zou u anders doen?”.
    De man denkt even na. Het beheer van zo’n landgoed lijkt toch niet voor de hand te liggen.
    “Weet-ie wat ik als eerste zol doun?”, klinkt het uiteindelijk. “Dat grasveld veur ’t huus, dat is me toch elke keer een gedou. Je blieft aan’t maai’n. Doar zol ik geliek kunstgras in leg’n. En die kozien’n vervangen deur kunststof. Scheelt een hoop onderhold!”.
    Ik ben te perplex om antwoord te geven.
    “Nou, ‘k goa weer verder”, sluit de man af. “Moi!”.
    En hij verdwijnt in de inmiddels gevallen duisternis.

    “Dat duurde lang”, meent Clara als ik weer thuis kom. “Aan de praat geraakt?”.
    “Ja”, beaam ik.
    Een goed gesprek. Ik weet nu zeker dat ons cultureel erfgoed, in ’t geval van een socialistische machtsgreep, in vertrouwde handen is.

  • Schiphol

    Gisteren waren we op weg naar Schiphol. Wout en Emma zouden na aankomst aldaar doorreizen naar Calabria. En ik zou terugkeren naar Groningen. Ieder z’n deel.

    De afrit bij de luchthaven bleek ook het begin van een behoorlijke file. Stuk voor stuk mensen die een bestemming hadden. Of die mensen kwamen halen die een bestemming hadden. Hier vindt de moderne diaspora plaats. In ieder geval scheen iedereen behoorlijk haast te hebben, wat tot het nodige asociale weggedrag leidde.

    Vanmiddag pingt mijn telefoon. Vanuit Calabria laat WhatsApp me weten dat er bericht is. Foto’s van de diaspora. Wout en Emma blakend in de zon, een lokkende zee in de achtergrond. Emma in vakantiepose met een Moors kasteel als decor. Wout achter het bier op een terras. En een zonovergoten strand met gretige badgasten.

    Het lijkt allemaal ver weg en dat is het eigenlijk ook. De locatiegegevens maken duidelijk dat het hemelsbreed 1725 kilometer hier vandaan is. En toch zo dichtbij.

  • Sterren

    Om voor mij ondoorgrondelijke redenen moet ik vandaag ineens denken aan Jean Pierre Rawie. Misschien omdat ik de naam Groningen tegenkwam, misschien omdat iets me herinnerde aan zijn prachtige gedicht ‘Ad astra’. Gedachten zijn niet onder controle te houden; je bent geen herder van je eigen hersenspinsels. In ieder geval zoek ik de betreffende bundel erbij.

    Een schitterend vers. Zoals Rawie ons wel meer fraais heeft gebracht. Een vers, dat ook herinneringen oproept aan een zaterdagavond in 1973, toen ik al mijn moed bijeen had geraapt en een bezoek bracht aan het kunstenaarscafé AaBC aan, als mijn geheugen me niet bedriegt, de Haddingedwarsstraat in Groningen. Binnen trof ik een bont gezelschap. Rawie was overduidelijk stomdronken, maakte met iedereen ruzie en riep voortdurend beledigingen.

    Een groepje vazallen hing met verve de artistiekelingen uit. Alles ademde onechtheid uit. Klatergoud. Talentloosheid. Niets wees op een warme sfeer tussen gelijkgestemden. Geen route naar de sterren.

    En toen een oudere ‘nicht’ ook nog illegale seksuele voorstellen begon te maken, heb ik dat gesprek afgekapt en ben naar huis gefietst. Om er nooit weer terug te keren. Een mogelijke illusie armer, een stuitende ervaring rijker.

  • Onderzoeken

    Naar de reumatoloog. We zijn gaan lopen, een welkome wandeling op een ietwat druilerige dag. Ik voel me enigszins gespannen, want vandaag zal hopelijk het verdict worden uitgesproken naar aanleiding van een reeks medische onderzoeken die ik in de afgelopen weken heb ondergaan. Ik hoop wel dat er snel duidelijkheid komt, want mijn handen beginnen ongemakkelijk pijnlijk te worden. Schrijven en tikken gaan gelukkig nog wel, maar andere activiteiten blijken soms lastig.

    Vorige week naar de Bloedafname geweest. Bloedonderzoek in aanloop tot het gesprek van vandaag. En gisteren een longfunctietest in verband met mogelijke afwijkingen die een relatie met reuma kunnen aantonen. Dat was een hoop geblaas en gepuf. Uitslag: niets bijzonders te zien. Dat klonk in ieder geval hoopvol.

    Het consult met de reumatoloog is enigszins verwarrend. Waar de longarts gisteren stelde dat er nauwelijks afwijkingen vielen te constateren, komt de reumatoloog tot de conclusie dat die er wel degelijk zijn. In ieder geval voldoende aanleiding voor een vervolgonderzoek in het UMC Groningen. Er is op dit moment nog niet vast te stellen welke vorm van reuma hier aan de orde is. Jammer, voorlopig ben ik nog niet uit de medische tredmolen.