• Bevrijding

    Eind van de morgen rijd ik weg van Groenestein. Ik word tegen drieën in Wageningen verwacht voor een boekpresentatie van mijn inmiddels goede vriend Wim Huijser. Dat boek heeft, hoe kan het bijna anders in Wageningen, alles te maken met de rol van Hotel De Wereld bij de Duitse capitulatie, ruim tachtig jaar geleden.

    Wim en zijn twee mede-auteurs, hebben er een behoorlijke kluif aan gehad. Urenlange, zeg maar dagenlange gesprekken en tientallen archiefdozen dienden te worden doorstaan voordat de ruwe versie op papier kwam. Met als voortdurende ‘cliffhanger’: is De Wereld werkelijk het geëigende decor voor de jaarlijkse herdenking en aanverwant eerbetoon? Voor zover ik dat tot nu toe heb begrepen, bleek dat allemaal kantje boord.

    Uiteraard ben ik veel te vroeg in Wageningen. Ik parkeer de auto aan de Generaal Foulkesweg (hoe toepasselijk) en wandel naar het centrum. Gelukkig heb ik ampel tijd om in het hotel snel een uitsmijter weg te werken. Ik gooi juist m’n servet neer als Wim ten tonele verschijnt. We groeten elkaar hartelijk, maar veel tijd voor ‘chitchat’ is er uiteraard niet.

    Later, na enkele interessante en bondige – en eerlijk gezegd ook vervelende en langdradige – betogen, wordt het onderhavige boek overhandigd aan Floor Vermeulen, burgemeester van Wageningen. In de gelukkige omstandigheid dat ‘zijn’ stad onverkort de ‘bevrijdingsstad’ van Nederland is gebleven. Aansluitend volgt een keur aan koetjes en kalfjes. Ik grijp mijn exemplaar van Wim’s boek, groet hem snel in het voorbijgaan en zoek de auto weer op. Uiteraard raak ik bij Arnhem in de file; die stad is altijd al een spelbreker geweest.

  • Gladheid

    Groenestein tooit andermaal wit. Het noordoosten van Nederland heeft te maken met wat hardnekkig nagepruttel van de winter. Met als gevolg dat auto’s in sloten belanden en fietsers op de Eerste Hulp. Het lijkt erop dat het concept ‘winterse gladheid’ maar moeilijk tot het bewustzijn kan doordringen. Haast en gejaagdheid worden blijkbaar niet ingetoomd door de realiteit van ijzel en opvriezende wegen. Alsof de opwarming van de aarde nu al een permanente plek in ons collectieve denken heeft verworven.

    Misschien dat ze daar in de VS ondertussen anders over zijn gaan denken. Grote delen van dat land hebben te maken met bittere kou, sneeuwbuien en andere extreme winterse ellende. Het kwik is op sommige plaatsen gedaald tot -30 °C en de stroom is op vele plekken uitgevallen. Ik neem zo maar aan dat ze daar de winter weer volkomen serieus nemen.

    Maar aan de andere kant: klimaatsceptici zullen dit allemaal aangrijpen om de temperatuurstijging nog maar eens te ontkennen. We zullen moeten leven met het feit dat het brein bij dergelijke lieden te maken heeft met permafrost. Dat valt allemaal niet te ontdooien tot redelijkheid.

  • Dreiging

    Het is met veel aplomb aangekondigd: de overheidsbrochure aangaande de noodsituaties die zich mogelijk op korte termijn kunnen voordoen. Gezien de globale spanningen en de onpeilbare acties van de van oudsher betrouwbare politieke partners kunnen zich wellicht binnenkort situaties voordoen waarbij de essentiële levensbehoeften in het geding komen. Daarbij moeten we blijkbaar denken aan geforceerde uitval van het elektriciteitsnet, gehackte systemen die verband houden met de watervoorziening en andere ongemakken waar we tot voor kort geen of weinig rekening mee hebben gehouden.

    Geen wonder dus dat Clara en ik de aankomst en aflevering van dat node gemiste boekwerkje met de nodige spanning en verhoogde hartslag afwachten. Eerlijk gezegd hadden we dat kostbare kleinood gezien het eminente belang dat er klaarblijkelijk aan wordt gehecht, gisteren al in de bus verwacht. Maar dat is, zeker ook gezien de besteldiscipline van Post.nl tegenwoordig nauwelijks realistisch.

    Ik realiseer me vanmorgen dat het gebrek aan informatie bij grote delen van de bevolking uiteraard koren op de molen van de potentiële vijand is. Al jaren wordt er vanuit het oosten hartstochtelijk geprobeerd het Westen te destabiliseren met nepinformatie, maar dit totale gebrek aan informatie, waar Nederland nu mee te maken heeft, is uiteraard voor hun doeleinden nog beter. Als ik dat aan Clara vertel, slaat de paniek onverbiddelijke toe. Elke dag dat de brochure te laat komt, is immers een extra gelegenheid voor allerlei subversieve acties en fnuikende sabotage. Daar word je, bij nader inzien, bepaald niet rustig van.

    En zo zitten we de rest van de dag vertwijfeld in onze woonkamer. In grote onzekerheid. Zijn onze computers inmiddels gehackt? Is het betalingsverkeer nog betrouwbaar? Werken de schaars beschikbare pinautomaten nog naar behoren? Is de nu om zich heen grijpende vogelgriep een gecoördineerde actie van de Russen? Of misschien van de Chinezen? Al eerder hebben we een desastreus virus uit Azië cadeau gekregen, dus een hernieuwde poging zou niet ondenkbaar zijn. Is het water uit de kraan nog zonder koken te nuttigen? Of is de zogenoemde ‘poepbacterie’ er door buitenlandse mogendheden aan toegevoegd, zodat Nederland straks massaal met buikgriepverschijnselen te kampen heeft? Kloppen de houdbaarheidsdata op de conservenblikken en ander voedingsmiddelen in werkelijkheid? Of zijn de algoritmes van de voedingsproducenten door big tech verstoord?

    We beginnen ons steeds ongeruster te maken. Zeker als we duidelijk een drone rond Groenestein horen. Zijn die schier ongrijpbare spionagetoestellen ook al tot ons park doorgedrongen? Ik overwin mijn angst, besluit het risico te nemen en waag me, gewapend met opa’s jachtbuks op het voorterrein. Na enkele tientallen voorzichtige stappen, ontdek ik de bron van dat doordringende gebrom; een buurman is druk in de weer met een elektrische graskantenknipper. Ik haal opgelucht adem en besluit gelijk om toch nog maar even in de brievenbus te kijken.

    Even later kan ik Clara geruststellen. De brochure is binnen. De kou is van de lucht. In detail staat vermeld hoe we ons moeten wapenen tegen de buitenlandse bedreigingen. Een goede zaak dat we ons daar individueel geen zorgen over hoeven te maken. Onze veiligheid is in goede handen. Er is voorhands geen enkele reden om daadwerkelijk ongerust te zijn.

    Bevrijd schenk ik twee dubbele wodka’s in en grijp de telefoon om de lokale Chinees te bellen. Ik bestel twee porties Koe Loe Yuk, Tjap Tjoy, Foe Yung Hai en flinke porties witte rijst. Wat kan ons immers gebeuren?

  • Nacht

    Het is laat. Ik heb lange tijd zitten lezen in de bibliotheek en sta nu op het punt om te overwegen naar bed te gaan. Ik werp een laatste blik uit het raam. Park Groenestein is zijn kleur verloren. De bomen en het grasveld tonen zich in grijstinten, zachtjes opgelicht door een zwakke maan. De druilerige motregen zorgt ervoor dat de takken voorzichtig opgloeien onder deze herfstige omstandigheden. De vochtige stilte dempt ieder geluid. De nacht heerst in het park.

    De nacht. Ik heb altijd een merkwaardige fascinatie voor dit rustige deel van het etmaal gehad. Als chauffeur van de Post prefereerde ik de kalmte van de duisternis boven het drukke gekrioel van de dag. De nacht is voor contemplatie; de nacht is voor de denkers. De nacht is er niet voor de vlotte ‘one-liner’, niet voor gedachteloos gebral. Niet voor ongenuanceerd geschreeuw of dom geraaskal. Dergelijke nonsens is voorbehouden voor het rauwe daglicht.

    De nacht is voor argumentatie, voor beschouwing, voor afgewogen meningsvorming en het kraken der hersencellen. Kortom, de dag voor de emotie; de nacht voor de rede.

    Ik overweeg nog een klein glaasje whisky te nemen op dit meditatieve moment. Maar op dat moment verbreekt een knetterende uitlaat de weldadige stilte. Niets is meer veilig dezer dagen.

  • Echo

    Tegen half zes ’s middags wordt er bij de voordeur gebeld. Dat belgerinkel hadden we feitelijk al eerder verwacht, want vandaag is het Sint Maarten. En we hebben speciaal het hek opengezet en verlichting naar de voordeur aangebracht om onze bijdrage aan dit sympathieke volksfeest te kunnen leveren. Aan Halloween of andere geïmporteerde nonsens doen we niet mee, maar Sint Maarten is, zeker hier in het noorden, een gekoesterde traditie. Maar helaas is het tot op dit moment akelig stil bij de voordeur gebleven.
    Als ik de deur open, ontdek ik een klein meisje. Op het eerste gezicht alleen. Maar een spiedende blik leert me dat een volwassen man, waarschijnlijk haar vader, op enige afstand haar – terecht – goed in de gaten houdt. Ter groet steek ik m’n hand op en de man zwaait aarzelend terug.

    Het meisje is ondertussen begonnen aan haar overbekende liedje aangaande koeien met staarten en meisjes met rokjes. Dat duurt zoals gewoonlijk niet lang; reden waarom specifiek dit lied populair is onder de lampionlopers. Ik kan de moed van dit meisje wel waarderen en trakteer dan ook royaal op snoepgoed.
    “Dat heb je heel mooi gezongen”, prijs ik de zangprestaties. “Wil je later soms zangeres worden?”.
    “Nee. Ik wil dokter worden. Chirurg”. Klinkt het vastberaden. “Maar mijn ouders denken dat dat te moeilijk voor me is en dat ik beter verpleegster kan worden”.
    Ik sta perplex. Een echo van een eeuw geleden klinkt hier nota bene aan mijn voordeur. Een echo uit tijden dat meisjes en vrouwen nauwelijks serieus werden genomen en hun opleiding werd beschouwd als weggegooid geld en verspilde moeite. Tijden, waarvan we meenden dat we die reeds lang achter ons hadden gelaten. Hoezo is zo’n artsenopleiding te moeilijk voor een meisje? Waar zijn de gelijke kansen gebleven?
    “Ik denk dat je dat best zou kunnen”, spreek ik met enige stemverheffing, zodat ook de vader mijn betoog kan horen. “Waarom zou een meisje als jij geen chirurg kunnen worden? Als dat is wat je graag wilt, moet je die opleiding gaan volgen. Nooit vooraf de tweede keus. Als het dan niet lukt, kun je altijd wat anders gaan doen. Maar eerst je droom achterna”.
    “Meent u dat?”, vraagt ze bedeesd.
    “Jazeker”, zeg ik vol overtuiging. “Hoe heet je?”.
    “Anna. Maar iedereen zegt altijd Annie”.
    “Annie, dan spreken we af dat jij over vijftien jaar hier terug komt en dan mag ik je dokter noemen. Akkoord?”.
    Ze knikt giechelend.
    “Goed zo. Afgesproken”, sluit ik af. “Dag Annie”.
    Lachend huppelt ze terug naar haar vader.

    “Dat duurde lang”, merkt Clara op als ik terugkeer in de woonkamer. “Een goed gesprek gehad?”.
    “Jazeker”, beaam ik. “Ik heb gesproken met dokter Annie”.
    “Dokter Annie”, klinkt het verbaasd.
    “Misschien over vijftien jaar”, hoop ik. “Misschien dat ik een klein beetje aan haar noodzakelijke zelfvertrouwen heb bijgedragen”.

    Sint Maarten is en blijft een mooie, bevredigende traditie.

  • Speelbal

    ’s Nachts zit Rutte in mijn werkkamer. Hij ziet er oud, afgeleefd, ongelukkig, en gespannen uit. Hoe hij in de vredesnaam in mijn werkvertrek terecht is gekomen, blijft een raadsel. En dat, terwijl we toch in een geavanceerd, en daardoor natuurlijk prijzig, alarmsysteem hebben geïnvesteerd. Dat heeft hij nooit kunnen en mogen omzeilen. De conclusie ligt dus al snel voor de hand: ik droom.

    Dat weerhoudt me er overigens niet van een heus gesprek met hem aan te knopen.
    “Mark, wat brengt jou naar Groenestein? Da’s toch een hele rit vanuit Brussel?”, doe ik mijn openingszet.
    “Groningen is inderdaad niet naast de deur”, erkent hij. “Maar ik moest je even spreken. Ik voel me namelijk erg ongelukkig in m’n nieuwe job”.
    “Die indruk wek je overigens niet”, weerleg ik. “Het lijkt wel een jofel baantje voor jou”.
    “Dat is het in wezen ook”, doet hij uit de doeken. “Maar ik heb voortdurend te maken met misleidende kretologie, sturend populisme, hele en halve leugens en ego’s ter grootte van een flinke alp”.
    “Helaas heb je zelf flink meegewerkt aan die ontwikkeling”, help ik hem herinneren. “Ik heb je in 2006 al gewaarschuwd voor die zorgwekkende trend in politiek en maatschappij. Daar heb je je niets van aangetrokken. En nu zitten we allemaal met de gebakken peren”.
    “Ik? Meegewerkt aan die trend?”, houdt hij zich van de domme.
    “Kom, Mark, laten we er niet omheen draaien”, zet ik hem streng op het juiste spoor. “Wat te denken van ‘geen actieve herinnering’? Wat was dat voor doorzichtige leugen? En € 1.000,- voor alle hardwerkende Nederlanders? Allemaal kreten en beloften die je nooit hebt waargemaakt. En die je ook niet van plan was waar te maken. Allemaal egoïstische retoriek om jezelf en de partij op een bedenkelijke manier op het schild te hijsen. Je bent een van de architecten van dat soort ‘klets-maar-raak’ strategieën”.
    “Klopt helemaal”, trekt hij het boetekleed aan. “Ik had beter moeten luisteren. Maar gedane zaken nemen geen keer. De vraag is wat we nu moeten doen?”.
    “Die geest krijgen we nooit meer in de fles”, concludeer ik. “Dus jij zult je weg moeten vinden in de slangenkuil van patjepeeërs en non-valeurs”.
    “Dat betekent dus nog jaren slijmen en bruine armen halen”, vat hij geschrokken samen.
    “Ik vrees het wel, Mark”, onderschrijf ik zijn conclusie. “Je bent een speelbal geworden. Een speelbal van politici zoals jij er zelf een was. Je hebt je eigen ellende mede gecreëerd”.

    Hij zucht en staart een ogenblik voor zich uit.
    “Het is niet anders”, klinkt het licht wanhopig. “Dan ga ik maar op dezelfde voet verder. Wat een triest gedoe”.
    Hij oogt lusteloos en vermoeid. De tijd lijkt eindelijk vat op hem te hebben gekregen.
    “Het ga je goed, Mark”, zeg ik tot afscheid.
    Hij verdwijnt door de deur naar de gang. Als ik even later dezelfde deur open, is er niets meer te zien. Alsof hij is opgelost in een rookvlaag.

    ’s Ochtends word ik verkwikt wakker. Ik voel me fris en uitgeslapen. Carpe diem.

  • Lapzwansen

    Onze tuinman Maarten verschijnt ’s morgensvroeg om de boel winterklaar te maken. Die term heeft overigens sinds Jacobse & Van Es een wat lacherige lading gekregen, maar in ons geval is het toch een serieuze aangelegenheid. Op Groenestein hebben we geen scheurgras en bavianenschurft; er moet gesnoeid, gemaaid, geveegd en in algemene zin opgeruimd worden.

    Maarten gaat onverdroten te werk en wanneer ik hem een uur later een kop thee breng, is het resultaat van zijn inspanningen al goed zichtbaar. En dus gooi ik er een welgemeend compliment uit.
    “Zo, dat schiet lekker op”, gooi ik er maar eens een cliché tegenaan. “Een heel verschil. Je hebt bepaald niet stil gezeten”.
    “Daar word ik ook niet voor betaald”, komt het gevatte antwoord. “Er zijn al lapzwansen genoeg”.
    Blijkbaar heb ik een gevoelige snaar geraakt en dus informeer ik snel aan welke lapzwansen hij refereert. Het wordt direct duidelijk dat hij doelt op buitenlandse mensen die onder de noemer ‘hoveniersbedrijf’ de bedrijfstak verstieren. Voor weinig geld leveren ze vervolgens weinig kwaliteit.
    “Die lui maken de hele markt kapot”, meent Maarten. “Tegen hun tarieven kan ik nooit werken. Maar zij betalen dan ook geen loonbelasting en sociale premies. Dan wordt concurreren een stuk lastiger”.
    “Maar daar kom je toch nooit mee weg bij de Belastingdienst?”, werp ik tegen. “Die heeft je na een tijdje toch wel op de korrel?”.
    “Tegen die tijd zijn ze al terug naar Polen of Roemenië”, legt hij kort uit. “Om veertien dagen later terug te keren en zich onder een andere naam bij de KvK en daarna de Belastingdienst aan te melden. En dan begint het hele spel opnieuw”.
    Ik knik. De uitgekookte methodiek is volstrekt duidelijk.
    “Begrijp me goed”, vult hij aan. “Ik heb niets tegen buitenlandse mensen. Velen werken hard en doen de klussen waar wij de neus voor optrekken. Maar dit soort geboefte vind je nu eenmaal overal. Die trekken als een sprinkhanenplaag over het land en verstieren de hele boel. Ook voor hun landgenoten”.

    De reden voor zijn frustratie is me overduidelijk. Een klip-en-klaar voorbeeld van Europese regels die achter een bureau zijn bedacht en weinig raakvlakken hebben met de dagelijkse realiteit. De Brusselse burelen zijn weer eens de mindere van street wise ondernemers. Met als gevolg dat de hardwerkende Nederlanders met de gebakken peren zitten. Welke politieke partij komt ooit eens echt voor hen op?

  • Avondwandeling

    ’s Avonds, na de koffie, heb ik plotsklaps zin in een ommetje door het park. En dus trek ik m’n regenjas aan, zet m’n hoed op en grijp de paraplu uit de stander.

    Buiten is het kil en nat. Elke herinnering aan een nogal late ‘indian summer’ is inmiddels naar het rijk der fabelen verwezen. De herfst heeft volledig de heerschappij gegrepen. Voor zolang het duurt. De dichter Theo van Baaren heeft het in de jaren zeventig al fraai onder woorden gebracht.

    Dit gedicht komt uit de bundel ‘Hoe-korter-hoe-liever’ en doet die titel ruim eer aan. ‘In der Beschränkung zeigt sich der Meister’, zeggen we dan terecht.

    Dat geldt ook voor het volgende gedicht uit dezelfde bundel.

    Ik loop via de noordelijke route door het park, sta even stil bij de vijvers die vaag zichtbaar zijn in de donkere schemering en vervolg mijn route richting Helperbrink. Even later zie ik door de bomenrijen een politieauto voorbij rijden. Die stopt even verderop, twee agenten stappen uit en komen in mijn richting. Het is duidelijk: ze zoeken mij.
    “Goedenavond”, groet de voorste. “Mag ik vragen wat u hier doet?”.
    Dat mag. Ik leg uit dat een avondwandeling aan het maken ben. Die uitleg voldoet blijkbaar niet aan hun verwachtingspatroon.
    “Kunt u zich ook legitimeren?”, is dan ook de volgende vraag.
    Dat kan ik uiteraard wel, maar ik voel tegelijkertijd weinig behoefte dat in deze omstandigheden te doen.
    “Mag ik vragen waarom ik dat zou moeten doen?”, vraag ik dan ook. “Heb ik iets misdaan? Word ik ergens van verdacht?”.
    “U moet zich kunnen legitimeren”, meent de meest assertieve van de twee. “Iedereen op de openbare weg moet op last van de politie een legitimatiebewijs kunnen tonen. Dat behoort u te weten”.
    Dat weet ik natuurlijk wel. Alleen maken de agenten een cruciale inschattingsfout. Maar ik wil de zaak niet op de spits drijven en overhandig mijn ID. Die wordt met de nodige aandacht bestudeerd.
    “Begrijp ik het goed”, klinkt het even later. “bent u de graaf van Groenestein?”.
    Dat klopt niet helemaal, maar ik antwoord toch maar bevestigend.
    “Inderdaad”, laat ik weten. “En voor alle duidelijkheid: u bevindt zich op dit moment onuitgenodigd op privéterrein. Is daar een dwingende reden toe?”.
    “We… eh… kregen een melding over een verdachte figuur in het park”, komt er hortend en stotend uit. “En dus zijn we poolshoogte gaan nemen”.
    “En had dat niet op een wat rustiger manier gekund?”, informeer ik. “Ik heb u direct verteld dat ik aan het wandelen ben. Dat is toch geen aanleiding voor dit soort formeel en enigszins agressief gedrag? U had toch direct kunnen zeggen dat er een melding was gemaakt?”.
    “Wij weten van tevoren niet wie of wat wij gaan tegenkomen”, werpt hij tegen. “Dus nemen we geen risico’s. Dat zult u toch wel begrijpen?”.
    “Zeker”, antwoord ik. “Maar dat moet ik dan ook wellicht doen. Mag ik misschien uw legitimatiebewijzen zien? Want ik beschouw dit als bedreigende en onrechtvaardige huisvredebreuk. En ik wil graag weten wie daar bij betrokken zijn. Dat zult u toch wel begrijpen?”.
    Aarzelend worden de legitimatiebewijzen getoond. Ik neem daar kennis van. Ik zie de twijfels bij de agenten toenemen.
    “U gaat hier toch geen melding van maken?”, klinkt het bezorgd. “We gaan hier toch geen moeilijkheden mee krijgen?”.
    “Wat mij betreft niet”, haal ik de kou uit de lucht. “Ik wens alleen met enige respect en fatsoen op mijn eigen bezit te worden behandeld. Dat is toch niet teveel gevraagd?”.
    “Zeker niet: onze excuses”, hoor ik de opluchting. “Wat ons betreft: goedenavond”.
    Ik groet terug en zie even later de politieauto over de Helperzoom verdwijnen.

    Gelukkig is er weer een eminente dreiging in de kiem gesmoord.

  • Straatverlichting

    ’s Ochtends, we zitten net aan de koffie, gaat de telefoon. Aan de andere kant van de lijn ontpopt zich een zekere heer De Bruin. Een ambtenaar van de Gemeente Groningen. De reden van zijn telefoontje laat zich raden.
    De Bruin komt dan ook snel ter zake.
    “We hebben uw brief ontvangen”, opent hij. “En daar zijn we toch wel een beetje verbaasd over”.
    Zo”, houd ik me op de vlakte. “Ik dacht dat die brief toch wel duidelijk was. Er kan geen sprake zijn van straatverlichting op Groenestein”.

    “Dat u daar op tegen bent, hebben we begrepen”, zalft De Bruin door. “Maar we hadden eerlijk gezegd op wat meer begrip van uw kant gehoopt”.
    “Begrip? Waarvoor begrip?”, leid ik hem naar de kern van zijn boodschap.
    “Voor het feit dat mensen zich soms toch behoorlijk onveilig voelen als het wat donkerder wordt”, legt hij omstandig uit. “Dat lijkt me toch iets waar we allemaal rekening mee moeten houden”.
    “U bedoelt dat ik het moet faciliteren dat mensen in het donker door mijn tuin en rond mijn huis kunnen scharrelen?”, ga ik in de tegenaanval. “Daar voel ik me namelijk onveilig bij”.
    “U maakt het nu wel heel simpel”, antwoordt hij. “De werkelijke situatie ligt wat complexer”.
    “Zal ik het eens echt simpel maken?”, onderbreek ik hem. “Heeft u een tuin?”.
    Het antwoord is bevestigend.
    “Hoe staat u er tegenover als er een lantaarnpaal midden in uw tuin wordt geplaatst omdat de buren zich soms onveilig voelen als ze voorbijlopen? Hoe begripvol bent u dan?”.
    De Bruin vindt dat die vergelijking behoorlijk mank gaat.
    “We praten in uw geval over een publiek domein. Over een openbaar toegankelijk gebied. Dat maakt de zaak uiteraard wel wat anders”.
    “Dat ziet u toch helemaal verkeerd”, maak ik aanstalten om het gesprek af te sluiten. “Groenestein is niet openbaar, maar privébezit. We hebben het recht van overpad gegeven, niets meer. Mensen mogen hier rondlopen, maar hebben daar het recht niet toe. Wij gedogen dat. ’s Avonds hebben ze hier niets te zoeken. En dat gaan we zeker niet aanmoedigen door gerieflijke verlichting. Ik hoop dat dat duidelijk is?”.
    “Maar, in alle redelijkheid….”, doet hij nog een poging.
    “Meneer De Bruin, het gaat niet gebeuren. En wellicht ten overvloede, de overeenkomst aangaande het overpad geldt telkens voor een periode van vijfentwintig jaar, om dan stilzwijgend verlengd te worden. Misschien dat we moeten overwegen die volgend jaar op te zeggen. Dat is, neem ik aan, niet de bedoeling”, kap ik de discussie af. “Goedemorgen”.

    Ik hang op. Clara kijkt me aan en knikt.
    “Koffie?”.

  • Veilig

    We ontvangen een deftig schrijven van de Gemeente. In de regel is dat geen goed nieuws. Meestal kost dat geld. Het college van Burgemeester en Wethouders geeft ons in overweging dat het wandelen door Park Groenestein door sommige mensen als onveilig en bedreigend wordt ervaren. Zeker in de schemering en des nachts. Om daaraan tegemoet te komen, denken B&W aan de mogelijkheid om straatverlichting op cruciale punten op de wandelpaden te installeren. En ze doen daarbij direct het voorstel om de hiermee gepaard gaande kosten te middelen.

    De verbijstering slaat ogenblikkelijk toe. Straatverlichting? Op diverse punten in het park? Waanzin! We gaan toch ook geen verlichting plaatsen in het Sterrebos? Zeker niet als het onderhavige park privébezit is. Dit voorstel komt erop neer dat wij moeten zorgen dat derden, wanneer ze zich op ons grondgebied bevinden, zich veiliger ervaren. Een kwestie van de wereld op zijn kop zetten.

    Dit is een klassiek geval van ‘een vinger geven’; de Gemeente heeft al eerder pogingen gedaan om de greep op het landgoed te verstevigen. Het is blijkbaar bij vele politici een doorn in het oog dat ergens in het zuidoosten van de stad een schijnbaar onaantastbare enclave ligt. Een privé-oase in een woestijn van sociaaldemocratische geldingsdrang. En dus wordt van tijd tot tijd een poging gedaan om de overeenkomst die mijn opa decennia geleden heeft ondertekend, steeds wat verder op te rekken. Een overeenkomst, waarbij feitelijk en juridisch een recht van overpad is geregeld voor omwonenden. Een recht dat door de Gemeente destijds meteen werd ‘verkocht’ als ‘openstelling voor het publiek’. En dat publiek vergt nu klaarblijkelijk verdere aanpassing voor haar gerief. Althans, zo willen de politici ons doen geloven.

    Het wordt tijd weer eens orde op zaken te stellen.