• Passend antwoord

    Inspiratie. Een moeilijk begrip dat al generaties dichters en schrijvers bezig heeft gehouden. Want waar precies praten we over? Is het een goddelijke lichtflits die ons tot brille brengt? Of is het een toevallige connectie tussen de contactpunten van ons neurale netwerk? Of is het allemaal onzin en vinden we bij toeval de juiste combinatie van woorden?

    En om een en ander nog meer te compliceren: wat is de rol van een muze in deze? Wat is überhaupt een muze? Een geliefde? Of een onbereikbare? De oude Grieken hadden zoals altijd een passend antwoord: een god of halfgod die deze taak op zich had genomen. Zo kom je overal mee weg.

    Hoewel sommige schrijvers zich totaal niet om de kwestie bekommeren, maken andere zich diepe gedachten.

    Ook de grote Gerrit vroeg zich wel eens af hoe het allemaal tot stand kwam. Een passend antwoord vond hij echter niet. Dat is er wellicht ook niet. Misschien moeten we dat simpelweg accepteren. Dichten en schrijven moet je doen. Al helpt het enorm als je lenig met woorden bent.

    Dat staat dan wel weer vast.

  • Helden

    Laudator temporis acti. Niet meer… Heb net ‘Moeder en pen’, de dagboeknotities ’79-’83 van Mensje van Keulen gelezen. Zij behoorde, als een van de Maatstaf-redacteuren, tot mijn favorieten in de jaren zeventig.

    Maar wat een opgeklopt getrut blijkt er uit deze schrijfsels. Lamlendig geweeklaag, moralistisch gemodder en eindeloos zuipen en vreemdgaan. Dat geldt overigens ook voor alle andere ‘helden’ uit die tijd die in deze notities worden opgevoerd: Gerrit Komrij, Theo Sontrop, Martin Ros, Dirkje Kuik, Ischa Meijer. Wat een achterbaks en egocentrisch zootje.

    Inderdaad, long time ago. De literaire elite bestond destijds klaarblijkelijk uit matige acteurs die hun eigen goedkope versie van ‘Coronation Street’ creëerden en ons vervolgens wilden doen geloven dat zulks een eigentijdse interpretatie van Shakespeare was. Klatergoud uit de grachtengordel.