• Nacht

    Het is laat. Ik heb lange tijd zitten lezen in de bibliotheek en sta nu op het punt om te overwegen naar bed te gaan. Ik werp een laatste blik uit het raam. Park Groenestein is zijn kleur verloren. De bomen en het grasveld tonen zich in grijstinten, zachtjes opgelicht door een zwakke maan. De druilerige motregen zorgt ervoor dat de takken voorzichtig opgloeien onder deze herfstige omstandigheden. De vochtige stilte dempt ieder geluid. De nacht heerst in het park.

    De nacht. Ik heb altijd een merkwaardige fascinatie voor dit rustige deel van het etmaal gehad. Als chauffeur van de Post prefereerde ik de kalmte van de duisternis boven het drukke gekrioel van de dag. De nacht is voor contemplatie; de nacht is voor de denkers. De nacht is er niet voor de vlotte ‘one-liner’, niet voor gedachteloos gebral. Niet voor ongenuanceerd geschreeuw of dom geraaskal. Dergelijke nonsens is voorbehouden voor het rauwe daglicht.

    De nacht is voor argumentatie, voor beschouwing, voor afgewogen meningsvorming en het kraken der hersencellen. Kortom, de dag voor de emotie; de nacht voor de rede.

    Ik overweeg nog een klein glaasje whisky te nemen op dit meditatieve moment. Maar op dat moment verbreekt een knetterende uitlaat de weldadige stilte. Niets is meer veilig dezer dagen.