• Fenomenaal

    ’s Morgens download ik een opname van 23 oktober 1970. Een zogenoemde matrix van de twee bestaande opnames van deze show in Santa Monica. Terecht dat geluidstechnicus Jim (geen achternamen in deze schaduwwereld) er veel aandacht aan heeft besteed. Pink Floyd is op z’n best en de setlist is om van te watertanden.

    Met hoge verwachtingen start ik dan ook de quad-uitvoering van deze matrix. En die verwachtingen worden in het geheel niet teleurgesteld. Ondanks de hoge leeftijd van de gebruikte banden (55 jaar!) klinkt deze nieuwe bewerking fenomenaal. En het is meteen duidelijk waarom Pink Floyd in die dagen al een legendarische ‘live’ band was. Een geheel eigen, hypnotiserend geluid, dat helaas in de loop der decennia meer en meer ‘mainstream’ is geworden. De combinatie van de vier muzikanten, de vier ego’s zo men wil, leidde niet alleen tot schitterende muziekstukken, maar helaas ook tot onderlinge fricties. En onenigheid met het publiek. De ontlading van dat laatste – het spuugincident in Montréal 1977 – leidde de deconfiture van de band in. Het zou nooit meer zo worden als het was.

    Ons rest dit soort prachtige bewerkingen van aloude, prima opnames. En een jaloersmakende setlist.

    Een hommage aan gebundelde creativiteit. Een eerbetoon aan experimenteerdrift. En een bewijs dat improvisatiedrang en muzikale vaardigheid tot Olympische resultaten kunnen leiden.

    For the time being…

  • Vergeten genie

    Hoe sommige gedachtesprongen tot stand komen, is me na al die jaren nog steeds een groot raadsel. Associaties, verbindingen, ‘stepping-stones’, het zijn onbegrijpelijke puzzels van het brein. Puzzels, geheimen, raadsels die al honderden jaren wetenschappelijk proberen te verklaren, maar die nog altijd in nevelen gehuld blijven.

    Soms valt er een lijn te ontdekken. Een lijn die in ieder geval de schijn van een academische toets zou kunnen doorstaan. In veel gevallen blijkt dat echter een handige vorm van ‘hineininterpretieren’ te zijn. Kortom, ‘wishful thinking’, geen wetenschappelijk onderbouwd bewijs.

    Neem de volgende hink-stap-sprong: gisteren noteerde ik over de donkere depressie die me decennia geleden overviel. Een duistere periode die ik eigenlijk door een loterij overleefd heb; reden waarom ik heel alert ben geweest in de navolgende sombere periodes. Die herinnering bracht me naar de oorzaak van de ellende en dus automatisch ook naar de bron van persoonlijk geluk. Want die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat persoonlijk geluk heeft voor mij een plek en een naam: Skrinkle Beach in Wales. Dat nietige strandje stond en staat symbool voor het grootste geluk dat mij ten deel is gevallen: Clara. Dat strandje linkt mijn gedachten aan ons zomerhuisje in Laugharne, op steenworp afstand van het schrijfhuisje van Dylan Thomas. En dus schieten mij zijn beroemdste dichtregels te binnen: ‘Rage, rage against the dying of the light’. Een regel die je bij de strot grijpt; een greep die niet weer loslaat. Maar om het gedicht, en ook de dichter, recht te doen, moet het volledig worden geciteerd.

    Dylan Thomas. Een eigenlijk vergeten dichter. En een vergeten, maar schitterend gedicht in een praktisch vergeten dichtvorm: de villanelle. Maar tevens een dichter en een gedicht die dit bescheiden eerbetoon verdienen. Misschien treffend dat de herinnering aan mijn eigen depressiviteit dat eerbetoon oproept. Als niet-wetenschappelijk bewijs dat negatieve energie op onnavolgbare wijze kan worden omgezet in positieve creativiteit.

    Geni anghofiedig. Yn anffodus.