• Tuinfeest [1]

    Rond vieren gaat de bel. Clara loopt naar de voordeur en even later word ik vanuit de werkkamer geroepen. Eenmaal in de gang beland, zie ik haar een man naar de woonkamer begeleiden. En dus ben ik zeer benieuwd wie toegang tot ons privédomein heeft verkregen, want dat is, zeker bij Clara, een zeldzaamheid. Vol verwachting klopt mijn hart, maar even later is het verwachtingspatroon behoorlijk naar beneden bijgesteld.

    Eén van de buurmannen met wie we kennis hebben gemaakt tijdens de burendag, heeft zich comfortabel op onze bank genesteld. En gezien zijn tevreden houding lijkt hij niet van zins daar binnen al te korte tijd weer van te vertrekken. Buurman is ‘here to stay’, althans voorlopig.

    “Koffie?”, vraagt Clara uit beleefdheid. Het is duidelijk, ze weet niet goed hoe met deze door haar gecreëerde situatie om te gaan. Hoe weiger je immers een buurman zonder meteen de hele buurt voor de schenen te schoppen. En bovendien een buurman met gewicht; een der organisatoren van voornoemd buurtfeest. Voorlopig heeft ze besloten om de zaken maar enigszins op hun beloop te laten, zoveel is wel duidelijk.

    Buurman wil wel koffie. En zo te zien, wordt even later zeer duidelijk, had hij ook wel iets ‘bij de koffie’ verwacht.
    “Kijk, een bloot kop koffie”, luidt het ietwat ontevreden commentaar. Clara besluit die opmerking verder te negeren.
    “Buurman, hoe is het?”, schop ik maar eens een open deur in. “Alles goed thuis? ’t Is al weer een tijd geleden dat we elkaar hebben gezien”. Ongegeneerd rijg ik het ene cliché aan de andere platitude.
    Buurman schijnt het allemaal niet erg te vinden. Het gesprek koetjet en kalft het grootste deel van een uur door en de beleefdheid gebiedt ons ook iets anders dan koffie aan te bieden. Clara’s blik maakt zonneklaar dat ik me op gastronomisch gebied moet manifesteren.
    “Biertje, buurman?”, vat ik m’n taak als gastheer kort samen.
    “Sla ik niet af”, verklaart buurman onomwonden. Clara wil witte wijn en zo loop ik even later vanuit de keuken terug met een dienblad met glazen, een fles bier en een fles witte wijn. Als een volleerd ober serveer ik de vloeibare versnaperingen uit.
    Het bierglas blijkt overbodig.
    “D’r zit al glas um”, legt buurman z’n bouwvakkerige drinkmethode uit en voegt meteen de daad bij het woord. Een toast hoort blijkbaar ook niet tot het protocol.

    De fles wordt met een klap neergezet en buurman schraapt z’n keel. Het heeft er alle schijn van dat de werkelijke reden van het onverdeelde genoegen van zijn bezoek nu aan ons zal worden onthuld.
    “Wat ik eigenlijk namens de hele buurt wilde vragen”, draait hij langzamerhand ter zake, “heeft betrekking op ons buurtfeest. Zoals jullie weten doen we dat eigenlijk altijd op straat. Maar dat is altijd zo’n gedoe, met vergunningen van de gemeente. En dan moet alles ook nog weer de volgende dag opgeruimd zijn. Dat geeft altijd stress. Dus wij dachten, als we de tenten nu bij jullie op het gazon zetten, is dat probleem opgelost. Jullie behoren immers ook tot de vaste gasten, dus dat zou allemaal mooi passen. Wat denken jullie?”.
    Die hadden we niet zien aankomen. En blijkbaar hebben buurman en consorten er goed over nagedacht, want hoe zouden we dit kunnen weigeren zonder de risee van de buurt te worden? Ik voel lichte paniek.
    “Wel buurman, daar overval je ons nogal mee”, doe ik een poging de frontale aanval te pareren. “Daar willen we, als ik mede voor Clara mag spreken, nog even over nadenken. Het is nogal een drukte over de vloer, nietwaar? Wat bijvoorbeeld met sanitaire voorzieningen?”.
    “Ik neem aan dat jullie een wc hebben”, kaart buurman overbodig aan.
    “Dat wel, maar ik weet niet of we het prettig vinden straks ruim tweehonderd bezoekers op ons toilet te hebben”, merkt Clara terecht op. “Ik vind dat nogal een belasting op ons privé”.
    “We kunnen natuurlijk ook een Dixie bestellen”, stelt buurman voor.
    Een Dixie! In onze voortuin. Op ons ongetwijfeld tot pulp getrapt gazon. Ik begin koud zweet op m’n rug te voelen.

    “We gaan er es over nadenken”, kap ik de discussie maar af. “Maar we staan eerlijk gezegd niet te popelen over dit idee”.
    “Denk er maar es over”, zegt buurman en maakt aanstalten te vertrekken. “Het is een redelijke vraag en eerlijk gezegd rekenen we op jullie! Bedankt voor de gastvrijheid!”.

    Even later kijken Clara en ik elkaar met lichte wanhoop aan. Hoe kunnen we dit in vredesnaam weigeren, zonder de hele buurt te schofferen? We voelen ons bekwaam in een hoek gedreven en we kunnen moeilijk als katten in het nauw worden gestempeld, dus noodsprongen zijn uitgesloten. We hebben een plan nodig. Of een ingreep van de voorzienigheid.

  • Vlek

    In mijn werkkamer klinkt het album ‘Harvest’ van Neil Young. Een iconische plaat waar ik veel goede herinneringen aan heb. Deze elpee dateert uit 1972, een periode waarin ik gelukkig nog onbezonnen en vrij van zorgen in het leven stond. Als ik het me goed herinner, zat ik in de derde klas van het Thorbecke College, weliswaar al ingedeeld op de afdeling Athenaeum, maar nog voor de ietwat zenuwslopende vakkenkeuze. Ik voetbalde in de A1 van Helpman om het kampioenschap en had ondertussen een uitnodiging voor Oranje onder 15 gehad. Mijn debuut in het eerste elftal zou niet al te lang op zich laten wachten.

    Dat jaar zou naast ‘Harvest’ ook ‘The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars’ van David Bowie het licht zien; een ander album dat veel invloed op mijn muziekvoorkeur heeft gehad. Of wat te denken van ‘Transformer’ van Lou Reed. Of Çan’t Buy A Thrill’ het openingsalbum van Steely Dan. Of het gelijknamige debuutalbum van Roxy Music. Een totaal ander muziekgenre diende zich aan. Maar ook de ‘oudere’ bands roerden zich.

    Een greep uit de dat jaar verschenen elpees:
    ‘The Great Wazoo’ – Frank Zappa
    ‘Darwin’ – Banco del Mutuo Soccorso
    ‘Machine Head’ – Deep Purple
    ‘Argus’ – Wishbone Ash
    ‘Sailin’ Shoes’ – Little Feat
    ‘Europe ‘72’ – Grateful Dead
    ‘Per Un Amico’ – Premiate Forneria Marconi
    ‘Something/Anything’ – Todd Rundgren
    ‘666’ – Aphrodite’s Child
    ‘Eat A Peach’ – The Allman Brothers Band
    ‘Ege Bamyasi’ – Can
    ‘Thick As A Brick’ – Jethro Tull
    ‘Foxtrot’ – Genesis
    ‘Exile On Main St.’ – The Rolling Stones
    ‘Close To The Edge’ – Yes
    ‘Pink Moon’ – Nick Drake

    Mijn geliefde Pink Floyd vergastte ons op ‘Obscured By Clouds’, een tot op de dag van vandaag sterk onderschat album. Kortom, een tijdperk vol licht, een jaar van positivisme. Een jaar waar ik met veel plezier op terugkijk.

    Ik loop naar beneden en vertel Clara dat ik zojuist Neil Young heb geluisterd.
    “Harvest”, klinkt het. “Prachtige plaat. Maar ‘A Man Needs A Maid’ zou nu toch echt niet meer kunnen, vind je niet?”.

    Ze heeft uiteraard gelijk. Maar jammer dat ook dat fijne jaar 1972 een behoorlijke vlek heeft opgelopen.

  • Dreiging

    Het is met veel aplomb aangekondigd: de overheidsbrochure aangaande de noodsituaties die zich mogelijk op korte termijn kunnen voordoen. Gezien de globale spanningen en de onpeilbare acties van de van oudsher betrouwbare politieke partners kunnen zich wellicht binnenkort situaties voordoen waarbij de essentiële levensbehoeften in het geding komen. Daarbij moeten we blijkbaar denken aan geforceerde uitval van het elektriciteitsnet, gehackte systemen die verband houden met de watervoorziening en andere ongemakken waar we tot voor kort geen of weinig rekening mee hebben gehouden.

    Geen wonder dus dat Clara en ik de aankomst en aflevering van dat node gemiste boekwerkje met de nodige spanning en verhoogde hartslag afwachten. Eerlijk gezegd hadden we dat kostbare kleinood gezien het eminente belang dat er klaarblijkelijk aan wordt gehecht, gisteren al in de bus verwacht. Maar dat is, zeker ook gezien de besteldiscipline van Post.nl tegenwoordig nauwelijks realistisch.

    Ik realiseer me vanmorgen dat het gebrek aan informatie bij grote delen van de bevolking uiteraard koren op de molen van de potentiële vijand is. Al jaren wordt er vanuit het oosten hartstochtelijk geprobeerd het Westen te destabiliseren met nepinformatie, maar dit totale gebrek aan informatie, waar Nederland nu mee te maken heeft, is uiteraard voor hun doeleinden nog beter. Als ik dat aan Clara vertel, slaat de paniek onverbiddelijke toe. Elke dag dat de brochure te laat komt, is immers een extra gelegenheid voor allerlei subversieve acties en fnuikende sabotage. Daar word je, bij nader inzien, bepaald niet rustig van.

    En zo zitten we de rest van de dag vertwijfeld in onze woonkamer. In grote onzekerheid. Zijn onze computers inmiddels gehackt? Is het betalingsverkeer nog betrouwbaar? Werken de schaars beschikbare pinautomaten nog naar behoren? Is de nu om zich heen grijpende vogelgriep een gecoördineerde actie van de Russen? Of misschien van de Chinezen? Al eerder hebben we een desastreus virus uit Azië cadeau gekregen, dus een hernieuwde poging zou niet ondenkbaar zijn. Is het water uit de kraan nog zonder koken te nuttigen? Of is de zogenoemde ‘poepbacterie’ er door buitenlandse mogendheden aan toegevoegd, zodat Nederland straks massaal met buikgriepverschijnselen te kampen heeft? Kloppen de houdbaarheidsdata op de conservenblikken en ander voedingsmiddelen in werkelijkheid? Of zijn de algoritmes van de voedingsproducenten door big tech verstoord?

    We beginnen ons steeds ongeruster te maken. Zeker als we duidelijk een drone rond Groenestein horen. Zijn die schier ongrijpbare spionagetoestellen ook al tot ons park doorgedrongen? Ik overwin mijn angst, besluit het risico te nemen en waag me, gewapend met opa’s jachtbuks op het voorterrein. Na enkele tientallen voorzichtige stappen, ontdek ik de bron van dat doordringende gebrom; een buurman is druk in de weer met een elektrische graskantenknipper. Ik haal opgelucht adem en besluit gelijk om toch nog maar even in de brievenbus te kijken.

    Even later kan ik Clara geruststellen. De brochure is binnen. De kou is van de lucht. In detail staat vermeld hoe we ons moeten wapenen tegen de buitenlandse bedreigingen. Een goede zaak dat we ons daar individueel geen zorgen over hoeven te maken. Onze veiligheid is in goede handen. Er is voorhands geen enkele reden om daadwerkelijk ongerust te zijn.

    Bevrijd schenk ik twee dubbele wodka’s in en grijp de telefoon om de lokale Chinees te bellen. Ik bestel twee porties Koe Loe Yuk, Tjap Tjoy, Foe Yung Hai en flinke porties witte rijst. Wat kan ons immers gebeuren?

  • Vergeten genie

    Hoe sommige gedachtesprongen tot stand komen, is me na al die jaren nog steeds een groot raadsel. Associaties, verbindingen, ‘stepping-stones’, het zijn onbegrijpelijke puzzels van het brein. Puzzels, geheimen, raadsels die al honderden jaren wetenschappelijk proberen te verklaren, maar die nog altijd in nevelen gehuld blijven.

    Soms valt er een lijn te ontdekken. Een lijn die in ieder geval de schijn van een academische toets zou kunnen doorstaan. In veel gevallen blijkt dat echter een handige vorm van ‘hineininterpretieren’ te zijn. Kortom, ‘wishful thinking’, geen wetenschappelijk onderbouwd bewijs.

    Neem de volgende hink-stap-sprong: gisteren noteerde ik over de donkere depressie die me decennia geleden overviel. Een duistere periode die ik eigenlijk door een loterij overleefd heb; reden waarom ik heel alert ben geweest in de navolgende sombere periodes. Die herinnering bracht me naar de oorzaak van de ellende en dus automatisch ook naar de bron van persoonlijk geluk. Want die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat persoonlijk geluk heeft voor mij een plek en een naam: Skrinkle Beach in Wales. Dat nietige strandje stond en staat symbool voor het grootste geluk dat mij ten deel is gevallen: Clara. Dat strandje linkt mijn gedachten aan ons zomerhuisje in Laugharne, op steenworp afstand van het schrijfhuisje van Dylan Thomas. En dus schieten mij zijn beroemdste dichtregels te binnen: ‘Rage, rage against the dying of the light’. Een regel die je bij de strot grijpt; een greep die niet weer loslaat. Maar om het gedicht, en ook de dichter, recht te doen, moet het volledig worden geciteerd.

    Dylan Thomas. Een eigenlijk vergeten dichter. En een vergeten, maar schitterend gedicht in een praktisch vergeten dichtvorm: de villanelle. Maar tevens een dichter en een gedicht die dit bescheiden eerbetoon verdienen. Misschien treffend dat de herinnering aan mijn eigen depressiviteit dat eerbetoon oproept. Als niet-wetenschappelijk bewijs dat negatieve energie op onnavolgbare wijze kan worden omgezet in positieve creativiteit.

    Geni anghofiedig. Yn anffodus.

  • Diepe kras

    Af en toe kunnen schaduwen uit het verleden je plots compleet overvallen. Zaken, voorvallen, gebeurtenissen, emoties waarvan je denkt, je hoopte dat je ze op een veilige plek had weggeborgen. Dat je ze verwerkt had. Dat ze weliswaar tot je verleden behoren, maar dat de negatieve, ingrijpende implicaties in gesloten kluizen zijn weggestopt. Maar diezelfde voorvallen en gebeurtenissen blijken onverwacht dicht aan de oppervlakte te liggen. Slechts een flinterdun velletje blijkt over die diepe wonden te zijn gegroeid. Het littekenweefsel is soms pijnlijker dan de herinnering aan de oorspronkelijke wond.

    Deze week overviel me de herinnering aan mijn diepste depressie, decennia geleden. Clara en ik spraken over iets totaal anders, maar op de een of andere manier maakte mijn brein een connectie met die vermaledijde periode in mijn leven, met als absolute dieptepunt een radicale keuze bij een onbewaakte overweg. Met als gevolg dat ik meteen vol schoot, zeer tot verbazing en verbijstering van Clara. Uiteraard was de uitleg snel verschaft en de link snel gelegd, maar tot een heuse verklaring van mijn plotselinge emoties konden we niet komen. Die is er wellicht ook niet.

    Een diepe kras. De realisatie dat alles waar je om geeft in je leven plotseling ondergeschikt raakt aan je wanhoop. Dat alles wat je bestaan verrijkt, wat het waardevol en leefbaar maakt, er opeens niet meer toe doet. En dat alles daarna afhangt van een onbegrijpelijk rationele keuze: rechts of links, kop of munt, zwart of wit, nul of een. Alsof alles wat ons tot mensen maakt, geheel is verdwenen. Alsof we geen mensen meer zijn. Dat is misschien nog wel het meest verontrustende. Dat alle nuance uit je leven is verdwenen.

  • De prijs van stijl

    Aan het begin van de middag wordt er aangebeld. Onverwacht, wat in ons geval bijzonder is. Vrijwel iedereen kondigt zijn of haar komst van tevoren bij ons aan en ‘bezoekers’, zoals collectanten, weten in de regel de weg naar de voordeur niet te vinden. Te ver van de openbare weg, te imponerend blijkbaar.

    Ik hoor Clara de voordeur openen en even later mijn naam roepen. En dus spoed ik me naar de salon bij de voordeur. Het blijkt de kleermaker te zijn. Met een fors aantal kledingzakken. De doorpassessie is enkele weken geleden al geweest, dus dit is het echte werk.

    Zoals gebruikelijk beginnen we met de shirts. En al snel blijkt dat het uitgebreide meetwerk van weken geleden niet voor niets is geweest. De shirts zitten als gegoten, en ook de ietwat strakkere, ‘modernere’ snit kan de goedkeuring van Clara wegdragen. De eerste klap is in dit geval ruim een daalder waard.

    Dan beginnen we aan de broeken, de jasjes en de vesten. Ook hierbij heeft Clara flink haar stempel gedrukt op de uiteindelijke snit. Onder het motto ‘weg met die slobberige Britse academische stijl’ is gekozen voor een wat meer ‘mediterrane’ pasvorm. En hoewel ik aanvankelijk mijn bedenkingen had, met ik erkennen dat het uiteindelijke resultaat, zoals altijd een compromis, fraai is.

    Een kleine drie kwartier later kunnen we de kleermaker tevreden de hand schudden. Graag tot de volgende keer. Dat geloof ik ook wel, want de factuur die hij ons aan het eind overhandigt begint aardig op de Miljoenennota te lijken.

    Stijl kost geld. Kwaliteit kost nog veel meer. En een combinatie brengt je bijna aan de bedelstaf.

  • Stemmen

    Het is verkiezingsdag, het feest van de democratie. Om dat alles luister bij te zetten, wandelen Clara en ik al redelijk vroeg naar de Haydnschool om daar eens en voor altijd duidelijk te maken waar het de komende vier jaar naar toe moet in dit land.

    De Haydnschool. Eens mijn lagere school, maar inmiddels onherkenbaar gerenoveerd en met elektronische leermiddelen uitgerust. En dus loop ik enigszins verdwaasd en verweesd door de gangen, in slaafse navolging van de niet te missen bewegwijzering. ‘Stembureau’ lezen we op borden en pijlen, zo ongeveer om de vijf meter.

    In het daartoe bestemde klaslokaal – dat ik overigens ook niet herken – zit een viertal mensen indrukwekkend achter een reeks tafels. We groeten en overhandigen onze stempassen en onze ID-bewijzen. Zoals viel te verwachten, worden onze namen hartgrondig gecontroleerd en worden de ID-passen aan alle aanwezigen doorgegeven teneinde elke mogelijkheid van fraude tegen te gaan.
    “Zo’n lange naam kom je niet elke dag tegen”, verklaart de voorzitter de opvallende vertraging.
    Het zal wel. Ik heb m’n hele leven al met dit soort denigrerende behandelingen te maken gehad en Clara is er ondertussen ook wel aan gewend. Elke naam die over twee regels op de ID staat vermeld, wekt blijkbaar achterdocht, wantrouwen en spotzucht. En vaak ook onverklaarbare afgunst.
    “”Dat zal”, bevestig ik. “Maar toch hebben wij desondanks ook maar één stem”.
    Ik steek mijn hand uit en de voorzitter realiseert zich dat hij me nog altijd geen stembiljet heeft gegeven. Hij haast zich me een pak papier aan te reiken.

    In het stemhokje dans ik een moeizame pas-de-deux met een stembiljet ter grootte van een dekbed. En na eenmaal het bolletje van mijn keuze rood te hebben gemaakt, volgt een nog ingewikkelder procedure om het biljet weer toonbaar op te vouwen.

    We deponeren onze stembiljetten in de daarvoor bestemde kliko en groeten het viertal achter de tafels.

    Opgelucht wandelen we terug naar huis. We hebben weer gebruik gemaakt van ons recht. En we hebben duidelijk laten weten wat er de komende tijd allemaal moet gebeuren in Nederland. Er kan geen twijfel over bestaan: onze stemmen klinken luid en duidelijk. Niemand kan zeggen dat hij of zij onze boodschap niet heeft gehoord. En daarmee valt een zware last van onze schouders.

  • Zwaarte

    Ik sla de bijlage ‘Tijdgeest’ van Trouw open en lees het gedicht van de week. Ditmaal van de hand van Ineke Riem. De lichtvoetige titel ‘101 knutselideeën’ doet flauwe meligheid zoals ‘Creatief met kurk’ vermoeden, maar dat pakt totaal anders uit. Riem schrijft openlijk over de ‘grote’ gevoelens die ons allemaal wel ergens in ons leven overvallen. Zonder de gebruikte woorden overigens de voor de hand liggende zwaarte mee te geven. Integendeel, ze omzeilt die zwaarte door deze om te zetten in alledaagse knutselwerkjes.

    Zowel Clara als ik hebben op enig moment te maken gehad met depressies en gevoelens van uitzichtloosheid. En we weten allebei dat dergelijke negatieve emoties uitsluitend bestreden kunnen worden als je de relativiteit ervan leert in te zien. Als je die gevoelens ‘licht’ maakt. Mede daarom raken me de woorden opvallend.

    Het gedicht klinkt overigens ook als een parafrase op sommige zelfhulptheorieën, die al te luchtig kunnen doen over daadwerkelijk fundamentele mentale problemen. Problemen die moeilijk of onmogelijk in woorden zijn te vertalen. Misschien dat klei, gips en wc-rollen dan uitkomst kunnen bieden.

  • Fatsoen [2]

    Johanna en Matthew zijn dit weekend op visite. Gisteren gearriveerd en vandaag zullen ze terugreizen naar Engeland. Uitermate gezellig. We prijzen ons vanzelfsprekend zeer gelukkig dat het hen zo voor de wind gaat.

    Gisteravond, na de koffie, kwam het gesprek, na enige onnavolgbare wendingen, op de commotie die hier te lande is ontstaan na de gewelddadige dood van het 17-jarige meisje Lisa uit Abcoude. In de nacht van 19 op 20 augustus werd zij om het leven gebracht door een 22-jarige man die op een locatie van het COA verbleef. Een asielzoeker dus.

    Gevolg: een heisa van hier tot ginder. Iedereen bleek zwaar verontwaardigd, overigens om tal van uiteenlopende redenen. Rechts Nederland greep dit misdrijf aan om de aandacht maar weer eens te vestigen op de achterliggende asielproblematiek. Een weinig kiese manier om politiek je zin door te drukken, overigens.

    Er ontstond vrijwel direct een beweging die zich beijvert voor het ‘veilig thuiskomen van vrouwen en meisjes’. Een loffelijk streven. Woordvoersters van die beweging maakten in interviews duidelijk welke overwegingen vrouwen moeten maken als ze een avondje uit willen gaan. Dat ze voortdurend hun routes moeten plannen. Dat ze voortdurend op hun hoede moeten zijn.
    Tijdens het gesprek hier, bleek dat ook Clara en Johanna dit soort beklemmende situaties kennen. Matthew niet. En ik, eerlijk gezegd, ook niet. Uiteraard heb ik door Clara’s werk meermalen kennis genomen van die stuitende ongelijkheid, maar iedere keer brengen dergelijke walgelijke feiten me tot razernij. Weg gelijkheid van seksen. Nog steeds een illusie. En ook nog steeds iets om je ongelooflijk druk over te maken. Een schandvlek voor een beschaafd land.

    Vanmorgen moest ik plotseling denken aan een gedicht van Babs Gons, dat recent in ‘Trouw’ werd besproken:

    Een gedicht als een vuistslag in je gezicht.
    Een gedicht dat je even doet wankelen in de touwen.
    Een gedicht dat je het schaamrood op de kaken jaagt.
    Een gedicht dat je doet walgen omdat je een man bent.

    Een gedicht dat nooit geschreven had mogen worden.

  • Hondsberoerd

    Clara en ik fietsen richting Haren met slechts één doel: de coronavaccinatie. Ongeveer een maand geleden ontvingen we beiden een brief met de uitnodiging en een tijdslot: tussen 10.00 en 10.15 uur. En uiteraard een locatie: de kantine van voetbalvereniging Be Quick. Voor mij een ietwat beladen naam uit een ver verleden. In die zin is dit een ‘blast from the past’.

    Al snel komt Stadion Esserberg in zicht. We rijden onder de aloude boog met de stadionnaam door en stallen even verderop onze fietsen. Hoewel er ingrijpend onderhoud aan de tribunes en de kleedkamers heeft plaatsgevonden, oogt het geheel oubollig en vervallen. Dat geldt bepaald niet voor de kantine; die is compleet nieuw. Maar wat betekent ‘nieuw’ in mijn belevingswereld? De laatste keer dat ik hier ben geweest, is vijfenvijftig jaar geleden. En na de confrontatie met de toenmalige Jeugdcommissie bij die gelegenheid, heb ik hier nooit weer een voet binnen gezet. Sterker nog, gedurende al mijn actieve voetbaljaren heb ik nooit tegen een elftal van Be Quick gespeeld. Dat had er ook mee te maken dat deze, toch ooit grote en roemruchte vereniging, in de loop der jaren behoorlijk is afgezakt naar een matig niveau. Ooit zelfs landskampioen – 1920 – beijvert het eerste elftal zich tegenwoordig om in de eerste klasse van de afdeling te blijven. O tempora, o mores.

    Binnen zitten vermoeid ogende vrijwilligers achter diverse tafels. We tonen de brieven en laten onze legitimatie controleren. Er wordt een vluchtige blik op de ingevulde vragenlijst geworpen en met een simpele hoofdbeweging worden we richting de dienstdoende verpleegkundigen gestuurd. Even later volgen de prikken. Twee minuten na onze entree, staan we weer buiten. Échte bescherming is in een mum geregeld; de administratie er omheen duurt aanmerkelijk langer.

    ’s Avonds voel ik me voor het eerst sinds de coronaprikken hondsberoerd. Stadion Esserberg vergeet en vergeeft blijkbaar nooit iets.