• Nacht

    Het is laat. Ik heb lange tijd zitten lezen in de bibliotheek en sta nu op het punt om te overwegen naar bed te gaan. Ik werp een laatste blik uit het raam. Park Groenestein is zijn kleur verloren. De bomen en het grasveld tonen zich in grijstinten, zachtjes opgelicht door een zwakke maan. De druilerige motregen zorgt ervoor dat de takken voorzichtig opgloeien onder deze herfstige omstandigheden. De vochtige stilte dempt ieder geluid. De nacht heerst in het park.

    De nacht. Ik heb altijd een merkwaardige fascinatie voor dit rustige deel van het etmaal gehad. Als chauffeur van de Post prefereerde ik de kalmte van de duisternis boven het drukke gekrioel van de dag. De nacht is voor contemplatie; de nacht is voor de denkers. De nacht is er niet voor de vlotte ‘one-liner’, niet voor gedachteloos gebral. Niet voor ongenuanceerd geschreeuw of dom geraaskal. Dergelijke nonsens is voorbehouden voor het rauwe daglicht.

    De nacht is voor argumentatie, voor beschouwing, voor afgewogen meningsvorming en het kraken der hersencellen. Kortom, de dag voor de emotie; de nacht voor de rede.

    Ik overweeg nog een klein glaasje whisky te nemen op dit meditatieve moment. Maar op dat moment verbreekt een knetterende uitlaat de weldadige stilte. Niets is meer veilig dezer dagen.

  • Woordenstroom

    Ik drentel wat langs de boekenkasten in de bibliotheek. En opeens valt mijn oog op een dun bundeltje van een inmiddels lang vergeten dichter: Peter Simpelaar. Destijds nog een jongeling, een puber, die de literaire wereld compleet op z’n kop zou zetten. Tenminste, dat riepen allerlei coryfeeën om het hardst. De zeventienjarige Simpelaar had in een roes een vuistdik manuscript voortgebracht; proza-achtige gedichten, genummerd van 1 tot en met 394.

    De geboren Middelburger produceerde on-Zeeuwse visioenen, dromen, stemmingen, verwrongen beelden, opgeschreven in en met een vrijheid die de beknellingen van de poëzie oversteeg. De blurb van zijn bundel blinkt uit door uitbundig juichende bewoordingen. De Arbeiderspers schroomde niet de dichtwerken te vergelijken met Rimbaud. En verklaarde en passant dat Simpelaar de hele generatie Vijftigers naar de vergetelheid zou doen verhuizen. De Dordtse dichter C. Buddingh’ repte zelfs over ‘het grootste talent sinds Lucebert’. En de publicatie van enkele gedichten in ‘Maatstaf’ leidde tot uitbundige euforie.

    Het verschijnen van de bundel ‘Verzamel de wolken op je gemak’ zorgde voor behoorlijk wat tegengeluiden. Een fors aantal, inmiddels min of meer bekende poëten zag klaarblijkelijk een dreigende concurrent aan de einder en de negatieve kritieken waren dan ook niet van de lucht. De toch altijd al zure Hans Warren kon zijn naijver niet verbloemen en suggereerde dat de dichter hoogstwaarschijnlijk enige geestverruimende middelen tot zich had genomen alvorens de poëtische sluizen zich hadden geopend. Alsof dat ook maar iets aan de kwaliteiten van de gedichten afdeed. Literair Nederland liet zich van zijn meest benepen kant zien. En dat was allerminst terecht, zoals mag blijken uit het volgende gedicht:

    Misschien door een aantal onvoorziene persoonlijke drama’s in dat toch nog jonge leven, droogde de bron snel op. De belevingswereld was er weliswaar nog steeds, maar de woordenstroom stokte. De woorden en beelden kwamen gezamenlijk niet meer tot resultaat. En de soms ongenadige kritiek na het verschijnen van de bundel deed de node gewenste inspiratie ook geen goed. De eertijds luidkeels bejubelde gedichten eindigden vroegtijdig in de ramsj bij De Slegte en Simpelaar ontwikkelde een alcoholprobleem. De stem uit Zeeland bleef lange tijd stil. Het talent leek voortijdig opgebrand.
    Latere pogingen werden door de eens zo enthousiaste uitgeverij De Arbeiderspers niet eens meer met een antwoord gehonoreerd. We zullen het dus met deze ene bundel moeten doen. Als tastbaar bewijs dat de inspiratie onze vermogens soms overtreft.