Soeth van Groeninghen

BLAUWDRUK

NOTITIES, BESCHOUWINGEN EN VERZINSELS


  • Na twee merendeels doorwaakte nachten en een dag vol gepieker, besluit ik de confrontatie met buurman toch maar frontaal aan te gaan. En dus loop ik met vastbesloten pas richting aanpalende straat. Waarom zouden we ook een buurtfeest in onze tuin toestaan? Dat zou ook meer het karakter van een door ons georganiseerd tuinfeest voor de buurt hebben, bedenk ik ineens. En door die plotselinge inval weet ik hoe we het nakende gevaar kunnen afwenden.

    Ik bel aan bij het mij bekende adres en alras sta ik van aangezicht tot aangezicht met de kwelgeestende buurtgenoot.
    “Goedemorgen buurman”, steek ik van wal. “Ik wil nog even terugkomen op jouw vraag omtrent het buurtfeest”.
    “Aha”, nodigt de buurman met gelijk naar binnen. “Geen probleem, neem ik aan?”.
    “Om gelijk maar duidelijk te zijn”, werp ik tegen en negeer ondertussen zijn uitnodigende gebaren richting woonkamer. “We gaan dat niet doen en ik wil je even uitleggen waarom ik het een niet zo goed idee vind”.
    Buurman kijkt me verbijsterd aan.
    “Maar ik dacht…”, stamelt hij het begin van een antwoord.
    “Het mag duidelijk zijn dat wij het niet zo’n aanlokkelijk idee vinden om ruim tweehonderd mensen bij ons thuis uit te nodigen. Mensen, die wij voor het merendeel niet of nauwelijks kennen. En die dus vrijmoedig door ons privé komen banjeren. Dat vinden wij niet prettig en wij denken dat niemand dat aangenaam zou vinden. Denk je ook niet?”.
    “Nu je ’t zo zegt…”, klinkt het aarzelend.
    “En het tweede argument is veel algemener van aard”, kap ik hem af. “Dit evenement is bedoeld als een buurtfeest. Een samenkomst op gezamenlijk en dus neutraal terrein. Dat specifieke karakter zou verloren gaan als we het bij ons in de voortuin zouden houden. Dat is geen neutraal terrein en ik vraag me af of iedereen dat zo plezierig zou vinden”.
    “Daar zit inderdaad wat in”, meent buurman.
    “Samenvattend: moeten we niet doen”, sluit ik de beraadslagingen. “Fijn dat we het daarover eens zijn. Goedemorgen”.

    En ik keer op m’n schreden terug naar Groenestein. Ik voel me wel twintig kilo lichter en daar heb ik geen Ozempic voor nodig gehad.


  • Rond vieren gaat de bel. Clara loopt naar de voordeur en even later word ik vanuit de werkkamer geroepen. Eenmaal in de gang beland, zie ik haar een man naar de woonkamer begeleiden. En dus ben ik zeer benieuwd wie toegang tot ons privédomein heeft verkregen, want dat is, zeker bij Clara, een zeldzaamheid. Vol verwachting klopt mijn hart, maar even later is het verwachtingspatroon behoorlijk naar beneden bijgesteld.

    Eén van de buurmannen met wie we kennis hebben gemaakt tijdens de burendag, heeft zich comfortabel op onze bank genesteld. En gezien zijn tevreden houding lijkt hij niet van zins daar binnen al te korte tijd weer van te vertrekken. Buurman is ‘here to stay’, althans voorlopig.

    “Koffie?”, vraagt Clara uit beleefdheid. Het is duidelijk, ze weet niet goed hoe met deze door haar gecreëerde situatie om te gaan. Hoe weiger je immers een buurman zonder meteen de hele buurt voor de schenen te schoppen. En bovendien een buurman met gewicht; een der organisatoren van voornoemd buurtfeest. Voorlopig heeft ze besloten om de zaken maar enigszins op hun beloop te laten, zoveel is wel duidelijk.

    Buurman wil wel koffie. En zo te zien, wordt even later zeer duidelijk, had hij ook wel iets ‘bij de koffie’ verwacht.
    “Kijk, een bloot kop koffie”, luidt het ietwat ontevreden commentaar. Clara besluit die opmerking verder te negeren.
    “Buurman, hoe is het?”, schop ik maar eens een open deur in. “Alles goed thuis? ’t Is al weer een tijd geleden dat we elkaar hebben gezien”. Ongegeneerd rijg ik het ene cliché aan de andere platitude.
    Buurman schijnt het allemaal niet erg te vinden. Het gesprek koetjet en kalft het grootste deel van een uur door en de beleefdheid gebiedt ons ook iets anders dan koffie aan te bieden. Clara’s blik maakt zonneklaar dat ik me op gastronomisch gebied moet manifesteren.
    “Biertje, buurman?”, vat ik m’n taak als gastheer kort samen.
    “Sla ik niet af”, verklaart buurman onomwonden. Clara wil witte wijn en zo loop ik even later vanuit de keuken terug met een dienblad met glazen, een fles bier en een fles witte wijn. Als een volleerd ober serveer ik de vloeibare versnaperingen uit.
    Het bierglas blijkt overbodig.
    “D’r zit al glas um”, legt buurman z’n bouwvakkerige drinkmethode uit en voegt meteen de daad bij het woord. Een toast hoort blijkbaar ook niet tot het protocol.

    De fles wordt met een klap neergezet en buurman schraapt z’n keel. Het heeft er alle schijn van dat de werkelijke reden van het onverdeelde genoegen van zijn bezoek nu aan ons zal worden onthuld.
    “Wat ik eigenlijk namens de hele buurt wilde vragen”, draait hij langzamerhand ter zake, “heeft betrekking op ons buurtfeest. Zoals jullie weten doen we dat eigenlijk altijd op straat. Maar dat is altijd zo’n gedoe, met vergunningen van de gemeente. En dan moet alles ook nog weer de volgende dag opgeruimd zijn. Dat geeft altijd stress. Dus wij dachten, als we de tenten nu bij jullie op het gazon zetten, is dat probleem opgelost. Jullie behoren immers ook tot de vaste gasten, dus dat zou allemaal mooi passen. Wat denken jullie?”.
    Die hadden we niet zien aankomen. En blijkbaar hebben buurman en consorten er goed over nagedacht, want hoe zouden we dit kunnen weigeren zonder de risee van de buurt te worden? Ik voel lichte paniek.
    “Wel buurman, daar overval je ons nogal mee”, doe ik een poging de frontale aanval te pareren. “Daar willen we, als ik mede voor Clara mag spreken, nog even over nadenken. Het is nogal een drukte over de vloer, nietwaar? Wat bijvoorbeeld met sanitaire voorzieningen?”.
    “Ik neem aan dat jullie een wc hebben”, kaart buurman overbodig aan.
    “Dat wel, maar ik weet niet of we het prettig vinden straks ruim tweehonderd bezoekers op ons toilet te hebben”, merkt Clara terecht op. “Ik vind dat nogal een belasting op ons privé”.
    “We kunnen natuurlijk ook een Dixie bestellen”, stelt buurman voor.
    Een Dixie! In onze voortuin. Op ons ongetwijfeld tot pulp getrapt gazon. Ik begin koud zweet op m’n rug te voelen.

    “We gaan er es over nadenken”, kap ik de discussie maar af. “Maar we staan eerlijk gezegd niet te popelen over dit idee”.
    “Denk er maar es over”, zegt buurman en maakt aanstalten te vertrekken. “Het is een redelijke vraag en eerlijk gezegd rekenen we op jullie! Bedankt voor de gastvrijheid!”.

    Even later kijken Clara en ik elkaar met lichte wanhoop aan. Hoe kunnen we dit in vredesnaam weigeren, zonder de hele buurt te schofferen? We voelen ons bekwaam in een hoek gedreven en we kunnen moeilijk als katten in het nauw worden gestempeld, dus noodsprongen zijn uitgesloten. We hebben een plan nodig. Of een ingreep van de voorzienigheid.


  • Gedichten zijn er in soorten en maten. Het grappige aan die voor de hand liggende vaststelling is dat die ‘maten’ er niets toe doen; en dat er slechts twee ‘soorten’ zijn: goede en slechte. ‘Size doesn’t matter; quality does’.

    Dat geldt zeker ook voor het volgende vers:

    Een treffend bewijs dat niet iedereen dezelfde logica hoeft te hanteren. Niemand is verplicht te antwoorden en wie zwijgt, stemt zeker niet altijd toe. Bevelen worden stilzwijgend genegeerd en niet automatisch opgevolgd. Sociale mores blijken niet voor iedereen in gelijke mate te gelden.

    In die zin is dit gedicht een oproep tot verzet, tot stille strijd. En tot begrip voor mensen die wellicht andere denkwijzen hanteren dan de gangbare. De sterkste heeft niet altijd gelijk, al kan hij proberen dat gelijk door te drukken. Zwijgzaamheid van de wederpartij is dan geen bewijs van overwinning, maar van misplaatste zegeroes.

    Dit gedicht zou eigenlijk een van de ruim bemeten wanden van de nieuw te bouwen balzaal van het Witte Huis kunnen sieren. In goud, uiteraard, want spreken is slechts zilver.


© 2025 Blauwdruk IJsselland BV

Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen, locaties en/of personages berust op louter toeval of is een voortvloeisel van de fantasie van de auteur.